In Nederland houden we antibioticaresistente organismen goed onder controle, zoals de ziekenhuisbacterie MRSA. Dat komt mede doordat mensen die drager zijn, onderworpen worden aan strenge maatregelen. Maar de consequenties kunnen voor hen buitengewoon zwaar zijn. Kan het ook anders? Over die vraag gaat een project onder leiding van Marcel Verweij, hoogleraar filosofie aan de Wageningen Universiteit.

Wat gebeurt er als blijkt dat ik drager ben van een antibioticaresistent organisme?

‘Dan worden er direct strenge maatregelen genomen. Lig je in het ziekenhuis of woon je in een verpleeghuis, dan kun je geïsoleerd worden van je medebewoners. Werk je in de zorg, dan mag je geen contact hebben met patiënten. Die situatie is voor de meeste mensen heel overdonderend, vooral omdat ze zich niet ziek voelen. Ook kan het maanden duren voor zo’n bacterie verdwenen is. Maar de consequenties kunnen nog verder gaan. Het ziekenhuis wil bijvoorbeeld de operatie uitstellen die de patiënt nodig heeft, de verpleegkundige ziet zijn of haar contract niet verlengd of een kind mag niet naar het medisch kinderdagverblijf omdat een groepsgenoot een zwakke gezondheid heeft.’

Wat was uw inspiratiebron voor dit project?

‘De GGD-artsen die in deze situaties adviseren, maken zich zorgen over de impact van zulke maatregelen op dragers. Ze worstelen met de ethische kwesties die ermee samenhangen. Om die ethische kwesties draait ons onderzoek. Het maakt deel uit van een groter RIVM-project rond het beleid op dit gebied. Dat project wordt uitgevoerd door arts infectieziektebestrijding en promovenda Babette Rump. Naast mijzelf zijn ook hoogleraar kwaliteit van zorg Marlies Hulscher, Aura Timen van het RIVM en filosoof Morten Byskov hierbij betrokken.’

‘Van veel mensen weten we niet dat ze drager zijn. Isoleer je diegene van wie het wel bekend is, dan geeft dat geen garanties dat de omgeving gevrijwaard blijft’

Zijn strenge maatregelen dan niet nodig om de bevolking te beschermen?

‘Het probleem met resistente bacteriën is in belangrijke opzichten anders dan epidemieën en uitbraken. Het gaat hier om een langzame ontwikkeling waarop individuele dragers weinig invloed hebben. En die buiten de gezondheidszorg eigenlijk geen bedreiging vormt omdat ze alleen gevolgen heeft voor kwetsbare mensen. Dan moeten we ons dus afvragen: staan de maatregelen voor een individu wel in de juiste verhouding tot wat ze bijdragen aan de vermindering van het risico? Het wrange is bovendien dat er veel mensen met een resistente bacterie rondlopen van wie we het niet weten. Ook al isoleer je diegenen van wie het wel bekend is, dan geeft dat geen garanties dat de omgeving gevrijwaard blijft. Terwijl het enorm afbreuk kan doen aan de zorg en kwaliteit van leven voor die persoon zelf. Als je dat beseft, realiseer je je dat dit niet een technisch probleem is maar een ethisch probleem. Mensen hiervan bewust maken is onze belangrijkste doelstelling met dit onderzoek. Dat is een interactief proces en dat hebben we meteen vanaf het begin ingezet door gesprekken aan te gaan met zorgprofessionals.’

Wat zijn concrete vragen die u onderzoekt?

‘Bijvoorbeeld de vraag hoe ver we mogen gaan met vrijheidsbeperkende maatregelen. Om vanuit de ethiek daarover na te denken, zijn wij onder andere gaan kijken naar de definitie van vrijheid. Je kunt vrijheid definiëren als de afwezigheid van restricties, dwang en drang – dat noemen wij negatieve vrijheid. Je kunt ook nadenken over wat wij positieve vrijheid noemen: bijvoorbeeld de mogelijkheid om in gezondheid te leven, om samen te zijn, te kunnen spelen, controle te hebben over je eigen omgeving. Als je met die bril op kijkt, blijkt dat dezelfde maatregel in de ene situatie beperkend kan zijn en in de andere juist verrijkend. Als je erg ziek bent, bijvoorbeeld, is het fijn om een kamer voor jezelf te hebben. Maar zodra je opknapt kun je je in isolatie erg eenzaam voelen.’

Welk alternatief komt er dan uit dit onderzoek naar voren?

‘De constatering dat de impact van een maatregel afhangt van de context waarin die genomen wordt, stelt een belangrijk ethisch principe in de infectieziektebestrijding ter discussie: namelijk dat je moet kiezen voor de minst ingrijpende maatregel. Als die ingrijpendheid geen gegeven is maar varieert, dan moet je dus heel anders gaan kijken. Namelijk naar wat nodig is in díe situatie. Dat is een spannende voorlopige conclusie, want die zou tot gevolg kunnen hebben dat we regels die nu algemeen geaccepteerd zijn opnieuw tegen het licht moeten houden.’

Betekent dat dat de praktijk gaat veranderen?

‘Ons onderzoek stelt ethische vragen over het beleid dat we hebben en geeft handvatten om daarover na te denken. Het doordenken van de implicaties ligt op het terrein van het bredere RIVM-onderzoek, dat nog anderhalf jaar doorloopt. Wij hebben wel een structuur gemaakt voor het bespreken van morele kwesties rond dragers. Of liever gezegd, we hebben een bestaand model zo aangescherpt dat we beter kunnen benoemen welke aspecten van maatregelen de kwaliteit van leven van de drager beïnvloeden. Dat biedt een basis voor het bespreken van casuïstiek, maar ook voor algemene beschouwingen over de regels en het eventueel aanpassen daarvan. En we gaan wellicht aanbevelen een ethische commissie in te stellen voor de moeilijkste gevallen, die mede vanuit het perspectief van patiënten en dragers gaat adviseren.’


Auteur: Irene Geerts
Foto: Dik Klut

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website