Ga direct naar de inhoud Ga direct naar het hoofdmenu Ga direct naar het zoekveld
 
 
Special 'Kritisch kijken naar onderzoek', juni 2016
Meer kans op maatschappelijke impact bij samenwerking

Maatschappelijke effecten beoordelen, niet meten

Steeds vaker wordt van onderzoekers verwacht dat ze de maatschappelijke impact van hun onderzoek kunnen aantonen. Maar meten is moeilijk. Bovendien komen maatschappelijke veranderingen niet alleen door onderzoek tot stand. Barend van der Meulen, hoofd onderzoek bij het Rathenau Instituut, ziet meer in casestudies en vroegtijdige samenwerking met gebruikers.

Hoe meet je maatschappelijke impact bij wetenschappelijk onderzoek?

‘Ik ben zeer terughoudend als het gaat om het meten van maatschappelijke impact. Want vraag één is waarom je iets wilt weten of meten. De context waarin onderzoek plaatsvindt is altijd erg belangrijk en nooit uniform. Zo richt het ene onderzoek zich bijvoorbeeld op een ziekte die bij honderdduizend mensen voorkomt en een ander op een ziekte die maar bij honderd mensen voorkomt. Je kunt de impact van verschillende onderzoeken dus niet met elkaar vergelijken. Bovendien is sommige impact sowieso niet meetbaar. Zoals bijvoorbeeld de impact op gezondheid, omdat je eerst een heldere definitie moet hebben wat gezondheid is. En daarover verschillen de meningen sterk.’

Is maatschappelijk impact dus een veelkoppig begrip?

‘Absoluut. Je kunt goed meten of en hoe onderzoekers en wetenschappers hun kennis verspreiden onder vakgenoten, maar meten hoe de communicatie verloopt naar de praktijk en de maatschappij is veel lastiger. Bovendien kun je maatschappelijke impact niet toeschrijven aan één onderzoek. Want als je al impact bereikt met je onderzoek of als het jou lukt een bepaalde therapie te ontwikkelen, dan is daar vaak veel werk en onderzoek door anderen aan vooraf gegaan. En jij borduurt daarop voort.’

Is het dan überhaupt mogelijk om maatschappelijke impact aan te tonen?

‘Er zijn andere manieren om het maatschappelijke effect te beoordelen dan door meten. Ik zou ruimte geven aan casestudies, want daarin kunnen onderzoekers wel effecten zichtbaar maken. Bijvoorbeeld in hoeverre het onderzoek heeft bijgedragen aan begrip voor de betekenis van een ziekte voor patiënten. Zo bleek uit onderzoek waarbij het Astmafonds betrokken was, dat patiënten veel meer waarde hechten aan genetisch onderzoek dan vooraf gedacht. Niet omdat ze verwachten dat dat een nieuwe therapie zou opleveren, maar omdat ze met de vraag zaten of hun kinderen ook astma konden krijgen.’

‘Je moet onderzoekers niet afrekenen op de maatschappelijke impact van onderzoek’

‘Bij medisch-wetenschappelijk onderzoek is het belangrijk je af te vragen of het een bijdrage levert aan de professionele praktijk. Als mogelijke indicator voor maatschappelijke impact kun je bijvoorbeeld kijken of het onderzoek aangehaald wordt in de professionele literatuur. Maar ook in hoeverre de resultaten worden gebruikt bij het opstellen van protocollen rondom bepaalde ziekten en bij het verspreiden van kennis binnen opleidingscircuits. Dat kun je allemaal wel in kaart brengen.’

Is het niet onbevredigend dat je vanwege theoretische beperkingen zo weinig kunt zeggen over ‘echte impact’ zoals bijvoorbeeld gezondheidswinst of economische groei?

‘In de relatie tussen onderzoekers en financiers of overheid werkt dat soms onbevredigend. Dan verwachten zij iets, terwijl de onderzoeker daar niet aan kan voldoen. Soms zegt de overheid dat alle onderzoeken maatschappelijke impact moeten hebben, anders krijgen onderzoekers geen geld. Maar daarmee slaat ze de ruimte voor dynamiek in onderzoek direct neer. Bovendien zie je daardoor nieuwe organisaties en praktijken verschijnen die weten hoe onderzoekers moeten opschrijven wat acceptabel is voor de overheid of de financier zodat ze gewoon hun geld krijgen. Het is dus zinloos onderzoekers af te rekenen, in de negatieve zin van het woord, op de maatschappelijke impact van hun onderzoek.’

Binnen internationaal onderzoek zijn intermediaire indicatoren actueel. Bieden die een oplossing? 

‘Het gebruik van intermediaire indicatoren bij financiering van onderzoek en innovatie is vaak effectief en efficiënt. Deze indicatoren verwijzen naar processen die de kans vergroten dat maatschappelijke impact tot stand komt. Een deel van die processen kun je als onderzoeker beïnvloeden en onderdeel maken van je onderzoeksproces. Een mooi voorbeeld is De Nieuwe GGZ, een initiatief dat het zorgaanbod beter wil afstemmen op de behoefte van mensen met psychiatrische klachten. Dat doen ze door wetenschappelijke methoden en kennis te verbinden met ervaringskennis van professionals, patiënten en burgers. In het ideale geval leidt zo’n aanpak niet alleen tot kennis die werkt in de praktijk, maar ook tot meer gezamenlijk leren. Die kennis kan vervolgens opgenomen worden in een protocol. De mate waarin zo’n protocol wordt gebruikt, kan een intermediaire indicator zijn voor gezondheidswinst.’

Is er meer kans op maatschappelijke impact als onderzoekers en de uiteindelijke gebruikers met elkaar samenwerken?

‘Ik denk inderdaad dat het zo werkt. Om innovaties tot stand te brengen gaat het om zowel het voortbrengen van wetenschappelijke kennis als praktijkkennis. Door met gebruikers te praten, leer je hun ervaringen kennen en zie je wat er leeft in de praktijk. Bij een zeldzame ziekte gaat het bijvoorbeeld niet alleen om het ontwikkelen van een nieuw medicijn, maar ook of mensen bereid zijn daarvoor te betalen en of het medicijn betaalbaar blijft. Als je als onderzoeker bij voorbaat weet dat de prijs zwaar weegt, kun je het best gaan werken aan een medicijn dat betaalbaar is.’

Tekst: Karin van Lier
Illustratie: Dik Klut