Ga direct naar de inhoud Ga direct naar het hoofdmenu Ga direct naar het zoekveld
 
 
Special 'Kritisch kijken naar onderzoek', juni 2016
Pieter Drenth

Geen zeldzame incidenten

Toen ik in de jaren zestig van de vorige eeuw hoogleraar werd, stond wetenschappelijke integriteit nog niet op de agenda. Sterker nog, de term kwam niet voor in ons vocabulaire. Er waren geen gedragscodes, geen voorschriften, geen procedures, geen vertrouwenspersonen, geen integriteitscommissies. Je volgde je eigen geweten en de methodologische eisen voor het doen van onderzoek. De vier geboden van Merton, universalisme, communalisme, belangeloosheid een collegiale toetsing waren zo’n beetje de, zij het wat abstracte, richtlijnen.

Grijs gebied

Iedereen voelde wel dat het manipuleren van gegevens of het zonder vermelding overnemen van teksten van anderen uit den boze was, maar er was ook een groot grijs gebied tussen done en not done op het gebied van dataverzameling en –interpretatie, databeheer, publicatie, auteurschap en collegiale erkenning; een gebied waarbinnen je je eigen eer en geweten moest ontwikkelen. Binnen de eigen onderzoeksgroep ontstond er door de samenwerking en gesprekken over het onderzoek wel een soort groepsnorm, waar ieder zich zo veel mogelijk aan hield. Maar deze norm kon gemakkelijk verschillen van die van andere groepen onderzoekers, zeker binnen andere disciplines, maar zelfs binnen eigen vakgebied of universiteit.

Makkelijker

Verder was er minder stress. Subsidie (ZWO/NWO, Commissie Opvoering Productiviteit, NUFFIC en andere fondsen) was gemakkelijker te krijgen dan tegenwoordig. Publiceren was ook minder moeilijk. We waren niet erg bezig met citatiescores, H-indexen en andere competitieve indicatoren.

‘Ontsporingen werden gezien als atypische gevallen’

Bij tijd en wijle werd de academische gemeenschap opgeschrikt door ernstige gevallen van wat wij nu zouden noemen schendingen van wetenschappelijke integriteit. Het plagiaat van de historicus Colenbrander, de psycholoog Chorus, de filosoof-medicus Buytendijk of de econoom Pruijm, de geslepen misleiding van de chemica Erxleben, de verzinsels van de histoloog-anatoom Stolk en andere shockerende ontsporingen (levendig en niet zonder humor beschreven in Frank van Kolfschooten’s Valse Vooruitgang), raakten in wetenschappelijke kringen bekend; sommige haalden de pers. Maar ze werden toch gezien als atypische gevallen waarvan men hoofdschuddend en vaak met verbazing kennis nam.

Weerstand

Er was weinig drang tot openbaarmaking van fraude in de wetenschap. Faculteiten en universiteiten vreesden voor reputatieschade, beheerders van fondsen erkenden niet graag dat hun financiële middelen waren misbruikt, tijdschriften hadden een hekel aan correcties en retracties en onderzoekers zelf hadden een collegiale reserve om over dergelijke zaken naar buiten te treden. Bij de research voor zijn boek ontmoette Van Kolfschooten veel weerstand. Bovendien meende men ook oprecht dat het om zeldzame incidenten ging, die in de normale peer review-procedure vrijwel altijd boven water komen. Een, overigens zeer gewaardeerde, collega adviseerde Van Kolfschooten zijn speurtocht te staken, want ‘het accumuleren van gevallen creëert automatisch de gedachte dat het om iets structureels gaat.’

Lage rugpijn

Inmiddels, tientallen jaren verder, weten we beter. Het gaat helaas wel degelijk om iets structureels. Recente bevindingen suggereren dat er in 1 à 1,5 procent van gesubsidieerd onderzoek sprake is van schending van integriteitsnormen; weliswaar een  bescheiden percentage, maar in absolute zin gaat het toch om meer dan vijftienhonderd gevallen per jaar in de VS en meer dan duizend gevallen in Europa. En dan hebben we het nog niet over klein grut: een onwelkome waarneming weglaten, een gunstig deel van een figuur selecteren, voordelig afronden en dergelijke. Een beetje gesjoemel met data dat door hoogleraar Piet Borst wel eens is vergeleken met lage rugpijn: het is er, maar er valt moeilijk grip op te krijgen.

Hausse

Een meer systematische reglementering, opsporing en afwikkeling van fraudegevallen is ontstaan in de VS met de oprichting in 1989 van het Office of Scientific Integrity (de voorloper van het latere  Office of Research Integrity), en het Inspection Office van de National Science Foundation. Ook het verschijnen van On being a scientist, een publicatie van de Amerikaanse National Academy of Sciences (NAS), heeft eraan bijgedragen dat wetenschappelijke integriteit op de agenda van wetenschappelijke instituten en universiteiten kwam te staan. Tegen het einde van vorige en aan het begin van deze eeuw zien we een enorme hausse ontstaan aan institutionele, landelijke, regionale of zelfs wereldwijde codes, reglementen en aanbevelingen, gericht op de definitie, detectie, correctie, bestraffing en uiteindelijk preventie van wetenschappelijk wangedrag.

Nederland

Ook in Nederland is inmiddels wetenschappelijke integriteit behoorlijk en uitvoerig gereglementeerd. De Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening, het Landelijk Orgaan voor Wetenschappelijke Integriteit (LOWI) en de uitvoerige publiciteit over een aantal schrijnende gevallen van wetenschappelijke fraude hebben samen bijgedragen tot een behoorlijke bewustwording en kennis van integriteitsnormen en gedragsregels in wetenschappelijk Nederland.

Besef

Tegelijkertijd zien we een toenemende aandacht voor controle, inspecties, onderzoekscommissies, klokkenluiden, sancties en straffen. Allemaal goed en wenselijk, maar essentieel blijft de vorming van een wetenschappelijk geweten en de eigen verantwoordelijkheid van de onderzoeker. We moeten ons houden aan de normen voor wetenschappelijke integriteit. Niet vanwege een hoge pakkans of uit angst voor sancties, maar vanuit een geworteld besef dat wetenschappelijk wangedrag niet alleen schade kan toebrengen aan mens en maatschappij, maar dat dit uiteindelijk ook voor de wetenschap en haar reputatie desastreus is.

Pieter Drenth is emeritus hoogleraar psychologie aan de VU Amsterdam. Tot 1996 was hij president van de KNAW. Drenth was principal author van de European Code of Conduct for Research Integrity, en voorzitter van de Amsterdamse commissie die voor de commissie Levelt de zaak Stapel onderzocht.  

Illustratie: Dik Klut