Ga direct naar de inhoud Ga direct naar het hoofdmenu Ga direct naar het zoekveld
 
 
Special 'ICT in de zorg', januari 2015
Kinderen met autisme leren communiceren

De robot als verlengde arm van de therapeut?

Kan interactie met een sociale robot kinderen met autisme helpen beter contact te maken en samen te werken? Om die vraag draait het in een project van het programma Translationeel Onderzoek. De voorbereidingen voor een vergelijkend onderzoek zijn in volle gang. 

Plaats van handeling is een therapiekamer bij jeugdpsychiatrisch ziekenhuis Karakter in Nijmegen. Op de tafel zit een robot, met naast hem achter een laptop orthopedagoog en onderzoeker Iris Smeekens. Proefpersoon Gyuri van 8 gaat aan tafel zitten, tegenover de robot. ‘Hoi, leuk dat je er weer bent,’ begroet de robot hem en steekt zijn hand uit. Gyuri schudt die. ‘Bedankt dat je me hebt begroet,’ reageert de robot. ‘Kun je de doos openmaken?’ Gyuri buigt zich over de bruine doos op tafel en doet z’n best die te openen. Het lukt niet. ‘Je kunt Iris vragen om je te helpen,’ oppert de robot. ‘Iris, wil je me helpen?’ vraagt Gyuri. Iris helpt. Samen krijgen ze de doos open. De robot maakt Gyuri een complimentje omdat hij Iris om hulp heeft gevraagd. 

Contact maken

Deze scène bevat in een notendop alle ingrediënten voor de Pivotal Response Treatment (PRT). Deze training is ontwikkeld om kinderen met autisme te helpen beter te leren communiceren en samen te werken met andere mensen. Contact maken met anderen is voor kinderen met autisme lastig en kan bedreigend zijn. Ze gaan dat daarom vaak uit de weg. Met vragen, opmerkingen en complimentjes motiveert de PRT-therapeut het kind om interacties aan te gaan en beloont hij passend gedrag. Zo ontdekt het kind hoe nuttig en leuk het is om contact te maken. Die ervaring kan hij of zij vervolgens gaan toepassen in zijn dagelijks leven, thuis en op school.

Robot erbij

PRT heeft als therapie inmiddels zijn waarde bewezen, vertelt neurowetenschapper Jeffrey Glennon van Radboudumc, die het onderzoeksproject leidt. Maar wellicht maakt inzet van een robot PRT nog effectiever. ‘Onze veronderstelling is dat kinderen met autisme het misschien makkelijker vinden om contact te maken met robots dan met mensen. Ze vinden robots in ieder geval vaak interessant,’ zegt Glennon. Een robot is voorspelbaar en vertoont geen emoties. En hij zit vol techniek, ook iets dat kinderen met autisme vaak boeit. ‘We willen de robot inzetten als hulpmiddel voor de therapeut. Mogelijk dat het kind dankzij de robot de training beter volgt.’

Dialoog

Glennon raakte gegrepen door het idee om de robot bij PRT toe te passen na een lezing van Emilia Barakova. De onderzoekster van de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e) had in Japan kennisgemaakt met de sociale robot en aan de TU/e een onderzoeksrichting over gebruik ervan in de zorg opgezet. Met een gezamenlijk voorstel besloten Radboudumc, Karakter en de TU/e te onderzoeken wat de robot kan betekenen in de therapie voor kinderen met autisme. 

Integratie van techniek en therapie leidt tot vakmensen die niet meer puur psycholoog of ICT’er zijn.

Zowel de therapeutische als de technische invalshoek is onontbeerlijk bij dit project, zegt Glennon. Maar het zijn beide kennisgebieden met zeer verschillende culturen. Glennon noemt zichzelf daarom ‘integrator’: hij stuurt op integratie van de werelden van de techniek en de therapie. ‘Bij de eerste bijeenkomsten zaten beide partijen wat afwachtend naar elkaar te kijken,’ vertelt hij. ‘Maar naarmate we langer met elkaar in gesprek zijn, zien we steeds meer toepassingsmogelijkheden. De technici hebben een grote stap gezet door te bedenken dat de robot bruikbaar is in de zorg voor kinderen met autisme. Voor ons is het de uitdaging om hen duidelijk te maken hoe en in welke context die robot moet werken. Die dialoog is van vitaal belang.’

Vertaalslag

Uiteindelijk moet deze integratie mensen opleveren die niet meer puur psycholoog of ICT’er zijn, denkt Glennon. Smeekens krijgt de technische vaardigheden al enigszins in de vingers, vertelt ze. Regelmatig zit ze samen met de programmeur in Eindhoven achter de computer om de therapeutische wensen te vertalen in de juiste ‘scenario’s’. Met deze wijzen waarop de robot op het kind kan ingaan, staat of valt het succes van het project. Een robot die onlogisch reageert op een vraag van het kind, zal tot frustratie in de communicatie leiden. En dat mag niet gebeuren. ‘Je wilt dat het kind blij en gemotiveerd wordt, dankzij een positieve sociale interactie,’ zegt Smeekens. 

Nauwkeurige meting

Begin april moeten de scenario’s klaar zijn en kan het eigenlijke vergelijkende onderzoek beginnen. De kinderen (en hun ouders) worden door loting verdeeld over 3 groepen. Groep 1 krijgt PRT met de inzet van een robot, groep 2 krijgt PRT zonder robot, groep 3 de reguliere autismezorg van Karakter. Aan het begin van de interventie wordt bij alle deelnemers een veelheid aan factoren gemeten, zoals leeftijd, intelligentie en ernst van het autisme. Daardoor is nauwkeurig na te gaan bij welke kinderen de robot bijdraagt aan betere communicatieve vaardigheden en bij wie niet. Glennon: ‘Mogelijk kunnen we aan het einde van de studie zeggen dat voor de groep kinderen met die bepaalde karakteristieken het gebruik van de robot aan te bevelen is en voor een andere groep niet. Zo vergroot je de kans op therapeutisch succes.’

De jongen op de foto is een gezonde proefpersoon die in de testfase helpt om de robot verder te ontwikkelen. Het nut van robots bij kinderen met autisme moet nog bewezen worden.

Tekst: Veronique Huijbregts
Foto: Leo Duijvestijn