Zonder een goede band tussen hulpverlener en cliënt heeft een ggz-behandeling weinig kans van slagen. In de jeugdzorg en jeugd-ggz was deze relatie nog nauwelijks onderzocht. Marieke de Greef nam de ‘alliantie’ tussen ouders en hulpverleners onder de loep in de ambulante gezinshulpverlening.

‘In de jeugd- en opvoedhulp zijn ouders belangrijke samenwerkingspartners’, zegt Marieke de Greef, sinds haar promotie coördinerend behandelaar bij het Intensief Behandelcentrum Jeugd van organisatie voor kinder- en jeugdpsychiatrie Karakter. ‘In de ambulante gezinshulpverlening werken hulpverleners thuis met ouders aan hun opvoedingsvaardigheden, zodat hun kinderen zich beter kunnen ontwikkelen. Maar de hulp levert niet altijd het gewenste resultaat op. Het is dus belangrijk te kijken welke factoren daarop van invloed zijn.’

Overeenstemming

De Greef noemt de samenwerkingsrelatie tussen ouders en hulpverleners een ‘alliantie’. In haar proefschrift Addressing the alliance onderzoekt zij wat deze betekent voor het resultaat van de ambulante gezinshulpverlening. Ze werkte daarvoor samen met negen organisaties voor jeugd- en opvoedhulp in Noord-Brabant en Gelderland. Drie aspecten kenmerken een goede alliantie, vertelt ze: de ‘klik’ tussen cliënt en hulpverlener, overeenstemming over de samenwerkingsdoelen en overeenstemming over de aanpak die nodig is om die doelen te bereiken. Haar onderzoek laat zien dat de behandelresultaten positiever zijn naarmate hulpverleners er beter in slagen goede relaties met ouders op te bouwen én te behouden. 

Verwachtingen

Eerdere hulpverleningservaringen van de ouders en verwachtingen over het verloop en resultaat van de hulp bij ouders én hulpverlener blijken samen te hangen met de kwaliteit van de alliantie. Ouders die al eerder vergelijkbare hulp hebben gekregen, zijn minder positief over de band met hun huidige hulpverlener. ‘Ook als hulpverlener moet je vertrouwen hebben dat je iets kunt bereiken’, zegt De Greef. ‘Dat gevoel krijg je vaak al in de beginfase van de behandeling. De kwaliteit van de alliantie in die fase is voorspellend voor het succes aan het eind. Dat inzicht zouden we veel meer kunnen gebruiken, onder andere door al vroeg in het traject na te gaan of ouders vertrouwen hebben in jou als hulpverlener.’

Bespreekbaar maken

Niet alleen aan het begin, maar gedurende de hele behandeling is het belangrijk na te gaan of het nog goed zit met de samenwerking. ‘Klikt het? Hebben we overeenstemming over de doelen? Helpt de aanpak het gezin verder? Dat zijn vragen die ik bij evaluaties telkens opnieuw stel’, vertelt De Greef. ‘Trek aan de bel als er dingen niet lekker lopen, zeg ik steeds. Je moet het er met elkaar over hebben. Daarin hebben we als hulpverleners een belangrijke verantwoordelijkheid. De gezinnen waar we mee werken zitten in een kwetsbare situatie. Die beginnen niet makkelijk zelf over ongenoegens. Daarom moet je als hulpverlener de gezinnen steeds opnieuw uitnodigen om te zeggen hoe zij de samenwerking ervaren.’

‘Zonder vertrouwen bereik je niets samen’

Wil Watzeels en zijn collega Martine Bindels, gezinsbehandelaren bij Karakter, werkten drie maanden intensief samen met het gezin van Judith en Hans. Hun dochter van veertien heeft anorexia. Hoe hebben moeder Judith en behandelaar Wil de alliantie ervaren? 
Judith: ‘Bij Karakter stond er meteen een team om ons heen. Dat was voor ons als gezin heel fijn. We zaten in een crisis en voelden ons machteloos en in de kou gezet nadat we elders vergeefs hulp hadden gezocht. Van jullie dacht ik: daar kunnen we wel wat mee. Ik vond jullie meteen prettige mensen, jullie zágen ons echt. En je weet waarover je het hebt. We konden het van meet af aan zeggen als we iets niet goed vonden. Juist omdat we zo moeilijk zaten, was dat des te belangrijker. Het begin moet goed gaan, zodat je vertrouwen kunt opbouwen. Anders bereik je niets samen.’ 

Wil: ‘Ik merkte dat je scherp lette op wat wij te bieden hadden. We hebben ook besproken of onze hulp paste bij wat jullie nodig hadden en verwachtten.’ 
Judith: ‘We hadden ook zo’n nare ervaring gehad: we waren bijna ons kind kwijt. Mijn dochter, mijn man en ik wilden weten wat de focus en aanpak was. Daar hebben we het vaak over gehad.’
Wil: ‘Ik begin altijd met veel luisteren en vragen stellen, om duidelijk te krijgen waar de vraag ligt.’ 
Judith: ‘Je beeld koppelde je dan terug. Jij bent goed in samenvatten. Met jouw kennis en ervaring legde je verbanden en gaf je ons inzichten waar wij als gezin mee verder konden.’
Wil: ‘Ik check altijd of de ouders zich herkennen in mijn beeld.’
Judith: ‘Onze dochter werd ook behandeld door een kinderarts. Daar hebben wij en jullie regelmatig mee afgestemd. Dat die samenwerking goed ging, heeft ons enorm geholpen.’
Wil: ‘Dat was soms wel ingewikkeld. Je moet elkaar niet tegenwerken, maar het steeds hebben over ieders verwachtingen en helder zijn over wie doet wat. Jullie als gezin hadden daarin het voortouw.’

Judith: ‘Wij samen hebben ook wel eens gebotst. Eén keer ben ik boos weggelopen uit het gesprek. Dat was pittig, maar uiteindelijk niet verkeerd. We zijn er later op teruggekomen. Toen konden we weer verder. Het mooie van Martine en Wil was dat ze ons leerden dat elke emotie er mag zijn. Het mag schuren, zei Martine vaak.’ 
Wil: ‘De kern van het zorgen voor een goede alliantie zit in het bespreken van de samenwerkingsrelatie en veranderingen daarin. Met het gezin en met collega’s, anders ben je elkaar zo kwijt. En dat helpt het gezin niet verder.’

Uit het onderzoek van De Greef blijkt ook het belang van de samenwerking tussen hulpverleners en hun leidinggevende. Is die goed, dan is dat gunstig voor de alliantie tussen ouders en hulpverleners én het resultaat van de hulpverlening. ‘De context waarin je werkt is van belang voor hoe je je werk kunt doen’, denkt De Greef. ‘Hulpverleners zeiden me: we hebben spannend en uitdagend werk, dat kunnen we alleen doen als we het gevoel hebben dat we het met elkáár doen.’ 

Complexe relaties

De Greefs onderzoek richtte zich vooral op de samenwerking tussen ouder en hulpverlener. In de praktijk zijn er bij een gezin altijd meer partijen betrokken, zoals andere gezinsleden en hulpverleners, vaak van verschillende organisaties. ‘Het is zaak met al deze partijen af te stemmen, want je moet wel op één lijn zitten. Dat maakt het zorgen voor goede allianties complex.’ 

Feedback

Het is belangrijk dat hulpverleners doordrongen raken van het belang én de complexiteit van goede allianties, zegt De Greef, die tot voor kort onderzoeker en gastdocent was bij de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. ‘Dit aspect krijgt gelukkig steeds meer aandacht in opleidingen. We zijn al een heel eind als we ons realiseren hoe ingewikkeld die samenwerking is en dat er geen kant-en-klaar recept voor is. Feedback vragen en geven en kritisch zijn naar jezelf en collega’s is belangrijk. Als je merkt dat het niet lukt om goede allianties op te bouwen, heb het dan daarover. Je kunt erin leren.’ 
 

Wat werkt voor de jeugd
Op dit moment is het samenwerkingsproject Bundeling en verspreiding kennis in afronding. Hierin werkten negentien projectleiders van eerdere onderzoeken binnen het ZonMw-programma Effectief werken in de jeugdsector samen. Ze maakten een kennisoverzicht over werkzame factoren voor effectieve hulp aan kinderen en gezinnen, waaronder de samenwerkingsrelatie. Het overzicht bevat de belangrijkste bevindingen, de meest bruikbare instrumenten én aanbevelingen voor wenselijke vervolgstappen in werkveld, onderwijs, beleid en vervolgonderzoek. Bij het project was een klankbordgroep betrokken van cliënten, professionals en vertegenwoordigers van onderwijs en onderzoek. Ook het onlangs gestarte ZonMw-programma Wat werkt voor de jeugd besteedt aandacht aan de factoren die de hulp aan jeugdigen en gezinnen effectief maken.


Tekst: Veronique Huijbregts
Foto: privécollectie Marieke de Greef 
Publicatiedatum: 21 november 2019

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website