De nieuwe generatie DNA-onderzoek brengt erfelijke aandoeningen nog verfijnder en sneller in kaart. Wat kan er allemaal met deze ‘next generation sequencing’ en wat niet? Voorlichtingsmateriaal voor artsen en patiënten maakt dat inzichtelijk. Klinisch geneticus Marjolein Kriek werkte eraan mee.

DNA-onderzoek was voorheen nogal beperkt, vertelt Marjolein Kriek, klinisch geneticus in het LUMC en bestuurslid van de Vereniging Klinische Genetica Nederland. ‘Van iemand die bijvoorbeeld spierproblemen had, vroegen we naar de ziektegeschiedenis binnen zijn of haar familie en keken we gericht naar bepaalde plekken in het erfelijk materiaal. Op die manier herken je vooral de mensen met een klassiek beeld van een aandoening.’
Hoe anders is dat anno 2019. De mogelijkheden van next generation sequencing (NGS) zijn nauwelijks te overzien voor artsen van wie genetica niet het specialisme is, laat staan voor patiënten. Kriek werkte mee aan de ontwikkeling van voorlichtingsmateriaal dat beide groepen hierin wegwijs maakt. 

Wat is het verschil tussen het traditionele DNA-onderzoek en next generation sequencing?

‘NGS is een parapluterm voor verschillende testen die we kunnen doen. We zijn daarmee zo’n vijf jaar geleden begonnen in de diagnostiek. Met NGS zoek je via het bloed van de patiënt naar ziekte-veroorzakende fouten op vele plaatsen in het erfelijk materiaal. Zo hebben we inmiddels duizenden setjes van genen – zogeheten genpanels – die elk iets te maken hebben met een bepaalde aandoening, zoals spierproblemen, erfelijke vormen van kanker, bewegingsstoornissen, aangeboren hartafwijkingen of epilepsie.’

‘NGS is anders dan gangbaar bloed- of urineonderzoek, waarop je een veel hardere ja of nee krijgt’

Wat kan er nog meer met NGS?

‘Als zo’n genpanel geen duidelijke verklaring geeft, kan een WES-onderzoek worden overwogen. Dit staat voor whole exome sequencing. In dit geval bekijk je het gehele exoom, ofwel alle 20.000 genen binnen iemands DNA, op fouten die ziekte veroorzaken. Als we een kind op deze wijze onderzoeken, doen we ook een WES-onderzoek bij de ouders om het erfelijk materiaal van de drie personen met elkaar te kunnen vergelijken. Dat maakt de zoektocht een stuk eenvoudiger. Overigens is het exoom slechts 1 procent van ons erfelijk materiaal. We weten dat de rest van het DNA mede bepaalt of genen wel of niet worden afgelezen, maar we begrijpen dat mechanisme nog onvoldoende. Whole genome sequencing – WGS – passen we daarom nog niet toe binnen de diagnostiek.’

De koepelorganisatie voor zeldzame en genetische aandoeningen VSOP en het Erfocentrum – het nationaal informatiecentrum erfelijkheid – hebben het initiatief genomen voorlichtingsmateriaal over NGS te maken voor patiënten. Voor artsen heeft het Erfocentrum dat gedaan met beroepsvereniging VKGN, de Vereniging Klinische Genetica Nederland. Marjolein Kriek zat in de klankbordgroep voor de voorlichting aan patiënten en was voorzitter van de werkgroep die het kennisportaal ontwikkelde voor artsen.

Waarom was betere voorlichting nodig over NGS?

‘Patiënten kunnen voor informatie al terecht bij erfelijkheid.nl van het Erfocentrum. Maar zij moeten die website wel weten te vinden. Bovendien is het handig ze ook fysiek iets te kunnen overhandigen in de spreekkamer. Daarom hebben we een voor de leek toegankelijke folder gemaakt met tekst en illustraties over NGS en wat daarmee wel en niet mogelijk is. Het is ander onderzoek dan bijvoorbeeld gangbaar bloed- of urineonderzoek, waarop je een veel hardere ja of nee krijgt. Die folder moet patiënten ook helpen in de communicatie met hun arts. Maar ook voor artsen is het vrij complexe materie waarmee ze niet dagelijks te maken krijgen. Voor hen hebben we de website artsengenetica.nl ontwikkeld die net is gelanceerd.’ 

Wat kunnen de artsen daarop vinden?

‘Het kennisportaal, dat we up-to-date zullen houden, is voorlopig alleen gericht op cardiologen, oncologen en kinderartsen. Binnenkort komen daar de internisten en later wellicht ook de neurologen bij. Er wordt uitgelegd wat artsen de patiënt moeten vertellen en hoe ze zelf diagnostiek kunnen aanvragen. Zo’n aanvraag is doorgaans beperkt tot een genpanel. Voor andere vormen van erfelijkheidsonderzoek moeten ze verwijzen naar een van de afdelingen klinische genetica in het land. Op de website staan die netjes op een kaart afgebeeld. En voor artsen die dieper in de materie willen duiken, is er nog een aparte kennisrubriek.’

In 2008 was u de eerste vrouw in de wereld die haar hele genoom liet sequencen. Waarom deed u dat?

‘Destijds was ik in opleiding tot klinisch geneticus. De afdeling genetica hier in Leiden was benieuwd of het zou lukken het humaan genoom te ontrafelen en vroeg mij het mijne te laten onderzoeken. Dat lukte dus en het werd even een enorme mediahype. Daarna ben ik weer lekker naar de achtergrond verdwenen. Uit het uitlezen van mijn erfelijk materiaal is overigens niets confronterends gekomen.’

Denkt u dat in de toekomst iedereen zijn DNA laat sequencen?

‘Ik denk dat het ooit zover komt dat mensen de gegevens van hun erfelijk materiaal al in een vroeg stadium laten opslaan. Dat kan bijvoorbeeld na de hielprik. Op basis daarvan is te zien welke gezondheidsrisico’s iemand loopt. Door de leefstijl gericht aan te passen, zou die persoon de kans op ziekten kunnen beperken. Zo’n vorm van preventie zou natuurlijk prachtig zijn.’

Het voorlichtingsmateriaal voor patiënten en het kennisportaal voor artsen zijn tot stand gekomen met financiering uit het Onderzoeksprogramma Personalised Medicine. De initiatiefnemers zijn KWF Kankerbestrijding, Zilveren Kruis en ZonMw. Doel van het programma is de razendsnelle ontwikkelingen op het terrein van next generation genome sequencing sneller bij de patiënt terecht te laten komen.


Tekst: John Ekkelboom
Foto: Shutterstock  
Publicatiedatum: 21 november 2019

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website