Juist bij thuiswonende ouderen komt veel ondervoeding voor, blijkt uit een groot Europees onderzoek. De wetenschappers ontwikkelden een model waarmee zorgverleners snel het risico kunnen inschatten dat iemand ondervoed raakt. Een gesprek met onderzoekscoördinator Marjolein Visser.

‘De meeste ouderen in Europa die ondervoed zijn, wonen thuis’, constateert Marjolein Visser, hoogleraar gezond ouder worden van de afdeling gezondheidswetenschappen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Zij is een van de twee coördinatoren van een grootscheeps Europees onderzoek naar ondervoeding bij ouderen. Bij ondervoeding wordt vaak gedacht aan ouderen in ziekenhuizen en verpleeghuizen. ‘Relatief is de problematiek daar het grootst. Het aandeel ondervoede ouderen kan er oplopen tot 30 procent. Maar van de ouderen in Europa woont 95 procent thuis, en 5 tot 10 procent van hen is ondervoed. Dat zijn grote aantallen.’

Het project Malnutrition in the Elderly Knowledge Hub (MaNuEL) ontving bijdragen van financiers van gezondheidsonderzoek in meerdere Europese landen. In totaal sloegen 22 instituten uit 7 landen de handen ineen om de kennis te vergroten over ondervoeding bij mensen ouder dan 65 jaar. ZonMw financierde de Nederlandse deelnemers en voerde het secretariaat voor MaNuEL.
 

Waardoor raken ouderen ondervoed?

‘In de meeste gevallen eten ze gewoonweg onvoldoende. Ze hebben weinig eetlust of ze zijn niet in staat te eten. Maar iemand kan ook darmproblemen hebben, waardoor voedingsstoffen niet worden opgenomen. Verder zijn er ouderen die als gevolg van bijvoorbeeld een chronische ziekte excessief energie verbruiken. Naarmate mensen ouder worden, neemt het probleem van ondervoeding toe.’

Jullie hebben de oorzaken op een rijtje gezet en uitgewerkt in het zogenaamde DoMAP-model. Waaruit bestaat dat model?

‘Er zijn vele factoren die een rol spelen bij ondervoeding. Via datasets van een flink aantal ouderenstudies in Europa – waaronder de Longitudinal Aging Study Amsterdam (LASA) van de VU – hebben we die opgespoord en daarin een hiërarchie aangebracht. Centraal staan de drie mechanismen die ik zojuist noemde: te weinig eten, hoog energieverbruik en onvoldoende opname van voedingsstoffen. Daarnaast is er een tweede niveau van factoren die op deze drie mechanismen van invloed kunnen zijn, zoals ontstekingsprocessen, kauw- en slikproblemen, diarree, weinig eetlust en/of gebrek aan voedsel. Het derde niveau bestaat uit factoren die mogelijk het tweede niveau beïnvloeden en dus indirect ook de drie centrale mechanismen. Denk aan COPD, roken, de ziekte van Parkinson, dementie, een beroerte, eenzaamheid, mobiliteitsproblemen en depressie.’

Voor wie is dat lijstje handig?

‘We hebben het DoMAP-model gevisualiseerd en de niveaus in drie kleuren aangegeven. Dat is handig voor bijvoorbeeld huisartsen en andere zorgprofessionals. Als er bij een oudere sprake is van een of meerdere van de factoren van het tweede niveau, dan moeten de alarmbellen direct gaan rinkelen.’

‘Slechts in zes van de tien opleidingen verpleegkunde in Europa leren studenten hoe je ondervoeding vaststelt’

Jullie hebben ook bestaande screeningsinstrumenten voor ondervoeding op hun waarde beoordeeld. Wat kwam daaruit?

‘Elk land heeft zijn eigen favoriete screeningsinstrumenten die in een bepaalde setting worden gebruikt. We hebben de literatuur daarover doorgewroet en vervolgens een top-vijf-lijst gemaakt. Zo keken we of een model goed is ontwikkeld en gevalideerd is voor een bepaalde setting, of het snel en makkelijk bruikbaar is in de praktijk, en of ook professionals die geen voedingsopleiding hebben gehad ermee kunnen werken. Voor de verpleeghuissetting kwam de Nederlandse SNAQRC als beste uit de bus, voor de ziekenhuissetting de MNA Short-Form en de MST. Zorggroepen die voor het eerst willen gaan screenen op ondervoeding, kunnen dus het beste een keuze maken uit ons top-vijf-lijstje. Waar we ons zorgen over maken is dat door het Nederlandse overheidsbeleid ouderen steeds langer thuis blijven wonen. Daar wordt niet actief gescreend zoals in ziekenhuizen en verpleeghuizen. Dat moet wel gebeuren, bijvoorbeeld met de DETERMINE-lijst.’

Worden zorgprofessionals wel goed opgeleid in het herkennen van ondervoeding bij ouderen?

‘Ook dat wilden wij weten. Daartoe hebben we Europese onderwijsinstellingen voor verpleegkunde en geneeskunde een vragenlijst voorgelegd. Het blijkt dat maar in 60 procent van de opleidingen verpleegkunde de studenten iets leren over hoe je ondervoeding moet vaststellen. In opleidingen geneeskunde gebeurt dat nog minder. Omdat het veel tijd kost om dit onderwerp in de curricula op te nemen – wat uiteraard zo snel mogelijk moet gebeuren – hebben Duitse collega’s binnen MaNuEL alvast een MOOC ontwikkeld over ondervoeding. Deze Duitstalige Massive Open Online Course met Engelse ondertiteling is vrij toegankelijk.’

Als iemand ondervoed blijkt te zijn, wat zijn dan de behandelingsmogelijkheden?

‘Het klinkt misschien vreemd, maar we weten nog niet welke de beste zijn. Bovendien is de ene oudere de andere niet. Dat blijkt ook wel uit ons DoMAP-model. Er zijn weinig effectiviteitsstudies van goede wetenschappelijke kwaliteit gedaan en ze hebben ook nog eens allemaal andere steekproefselecties en uitkomstmaten. Uit die brij van gegevens kun je helaas weinig conclusies trekken. Nu krijgen ondervoede ouderen vaak extra calorieën in de vorm van drinkvoeding. Veel beter zou het zijn om patiëntenprofielen te hebben waarop je gepaste behandelingen kunt geven die liefst ook de onderliggende oorzaken aanpakken. Graag zouden we ons als Europees consortium in de toekomst daar meer in willen verdiepen.’


Auteur: John Ekkelboom
Fotograaf: AMC-locatie VUmc 
Publicatiedatum: 29 mei 2019

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website