Al jaren werken onderzoekers in mijn vakgebied aan de techniek om stamcellen te transplanteren bij hartpatiënten. Stamceltherapie is moeilijk en riskant. Inmiddels blijkt dat de standaardbehandeling voor hartpatiënten sterk verbeterd is: de patiënten die niet overlijden, herstellen goed. Daarmee dreigt stamceltherapie met hartcellen achterhaald te zijn nog voor ze de experimentele fase ontgroeid is. Dat betekent dat onderzoekers jaren voor niets bezig zijn geweest; tijd die ze beter aan urgente zaken hadden kunnen besteden.

Veranderde doelen

Het gebeurt regelmatig dat na jaren onderzoek een nieuwe medische techniek beschikbaar is en de arts zegt: ‘We hebben het al opgelost.’ Zo zijn onderzoekers al tien jaar bezig stamceltherapie in te zetten bij parkinsonpatiënten om het trillen tegengaan. Maar diepe hersenstimulatie is intussen zó goed ontwikkeld, dat de veel ingewikkelder stamceltherapie niet meer nodig is. Er is overigens nog steeds een reden om stamceltherapie voor parkinson te ontwikkelen, maar die is verschoven: het gaat nu om het tegengaan van depressies en het verlies van cognitie. 

Verwachtingen

Het probleem is dat artsen en fundamenteel onderzoekers vaak nauwelijks van elkaar weten waar ze mee bezig zijn, met een verschil in verwachtingen tot gevolg. Artsen hebben vaak geen idee hoeveel onderzoek er nodig is om toepasbare technieken te ontwikkelen. Ze willen bijvoorbeeld weten waarom de ene patiënt met een genetische aanleg een bepaalde ziekte wél krijgt en de andere niet. Die vraag ligt zo ongeveer aan de basis van al het biomedisch onderzoek. Artsen vinden het moeilijk te begrijpen dat onderzoekers op zo’n schijnbaar simpele vraag geen antwoord hebben.

‘Verhalen uit de praktijk kunnen voor een onderzoeker aanleiding zijn om anders te denken’

Ook ethische discussies worden door die kenniskloof beïnvloed. In de Nederlandse klinische praktijk is het ‘recht op niet-weten’ belangrijk, vooral bij kinderen. Testen op ernstige aandoeningen heeft geen zin als er geen behandeling mogelijk is. Daarbij zien we over het hoofd dat er in de toekomst misschien wél een behandeling is voor die aandoening – dat kan sneller zijn dan gedacht, omdat artsen en onderzoekers vaak niet van elkaars vorderingen op de hoogte zijn. Maar wie gaat ouders daarop attenderen, als zij niet eens weten of hun kind die aandoening heeft?

Anders denken

Op hun beurt tonen fundamenteel onderzoekers vaak weinig interesse als artsen hun vertellen over interessante cases. ‘Dat zegt niks, N=1’, denken ze dan. Dat is zonde. Jaren geleden schreef een oplettende arts bijvoorbeeld een casestudy over een patiënt met een bloedvataandoening die extreme neusbloedingen veroorzaakt. De Softenon die de patiënt gebruikte voor zijn leukemie bleek ook een gunstig effect te hebben op zijn andere aandoening. Wij hebben uitgezocht hoe dat kwam, en een paar jaar terug publiceerden we daarover in Nature Medicine. Zo kunnen verhalen uit de praktijk voor een onderzoeker aanleiding zijn om anders te denken.

Oog voor elkaars perspectief

Ik pleit voor meer nieuwsgierigheid naar elkaars werkveld. Laten we regelmatig een goed gesprek met elkaar voeren, elkaars conferenties bezoeken, elkaars literatuur lezen. Het zou mooi zijn als er in begeleidingscommissies van een onderzoeksbeurs altijd een arts zit, of als bij een lezing van een fundamenteel onderzoeker de zaal gevuld is met artsen. De kloof tussen lab en kliniek kunnen we dichten met een intensieve dialoog en respect voor elkaars werkveld. 


Christine Mummery is hoogleraar ontwikkelingsbiologie bij het Leids Universitair Medisch Centrum en voorzitter van de ZonMw-programmacommissie Translationeel Onderzoek 2. 

Fotograaf: Marc de Haan
Publicatiedatum: 30 januari 2019

Naar boven
Direct naar: InhoudDirect naar: NavigatieDirect naar: Onderkant website