Wie onderzoek wil doen met jongeren of bijvoorbeeld mensen met suïcidale gedachten, moet voldoen aan strenge eisen. Wetenschappers pleiten voor modernisering van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO). ‘Voor een online vragenlijst van een paar minuten ben je dagen bezig het akkoord te regelen.’

Kinderen van ouders met psychische of verslavingsproblemen (KOPP) lopen een groot risico om zelf vergelijkbare problemen te krijgen. De online cursus Kopstoring voor deze groep wordt door hulpverleners en jongeren positief gewaardeerd en draait inmiddels ook in de Verenigde Staten en Zweden. Maar is de interventie ook aantoonbaar effectief? Marla Woolderink van Maastricht University promoveerde eind 2016 op Kopstoring. Haar procesevaluatie laat positieve ervaringen zien, maar Woolderink kon geen effecten aantonen. Dat kwam vooral doordat ze te weinig jongeren kon meenemen in haar onderzoek. De oorzaak: té strenge eisen in de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO).

Op papier

Haar begeleider Onno van Schayck (Woolderink werkt inmiddels in het buitenland, red.) weet het nog goed. ‘Er waren 215 kinderen nodig en die hadden we ook gevonden. Maar we hielden er maar 104 over, te weinig om iets over effectiviteit te kunnen zeggen.’ De afvallers wilden of konden niet voldoen aan de voorwaarde van de medisch-ethische toetsingscommissie (METC): schriftelijke toestemming van hun ouders. Niet alleen wil juist déze groep hun ouders vaak liever niet vertellen over onderzoek naar de problemen thuis. Ook de vorm van de verplichte toestemming bleek een belemmering. Van Schayck: ‘De WMO heeft het over schriftelijke toestemming, “dus” op papier. En de METC volgt die eis. De wet maakt online onderzoek zo onnodig gecompliceerd en soms dus zelfs praktisch onmogelijk.’

Massaal afgehaakt

Klinisch psycholoog Ad Kerkhof herkent de Maastrichtse frustraties. Als onderzoeker naar suïcidepreventie aan de Vrije Universiteit Amsterdam ‘scoorde’ hij ooit zelfs een respons van 4 procent, nadat scholieren massaal waren afgehaakt op dezelfde voorwaarde. De toestemming voor een online vragenlijst moest op een geprint formulier, dat met een handtekening van hun ouders in een envelop met een postzegel in de brievenbus moest. Kerkhof: ‘Vertel dat maar eens aan een jongere anno nu. Ze zeggen: printer? Heb ik niet… Envelop, postzegel, brievenbus? Nooit van gehoord! Voor een online vragenlijst van een paar minuten ben je dagen bezig om het akkoord van de ouders te regelen. Ik zeg altijd: de WMO stamt echt nog uit de tijd van de postkoets.’

‘We willen de wet niet terzijde leggen, maar er met goede overwegingen soms van kunnen afwijken’

Bij suïcidepreventie speelt volgens Kerkhof overigens nog iets anders waardoor een METC vaak op de rem trapt: de vrees dat vragen stellen over suïcide mensen stimuleert de daad bij het woord te voegen. Maar die vrees is niet gerechtvaardigd, zegt Kerkhof. Hij baseert zich op een literatuurreview naar 1040 studies met in totaal 180.000 proefpersonen. Met collega-onderzoeker Annemiek Huisman vatte hij de bevindingen begin 2017 samen in de Handreiking voor onderzoekers en METC’s bij het indienen en beoordelen van protocollen voor onderzoek naar suïcidepreventie. Kerkhof: ‘Er zijn zelfs bewijzen dat het juist bevorderlijk werkt om aan onderzoek mee te doen. Al was het maar omdat het safetyplan voor de controlegroep al zowat een halve behandeling is. Maar ook alleen maar vragen naar suïcidaliteit heeft al een positief effect.’

Overtuigend bewijs

Toch blijven METC’s terughoudend, merkt Kerkhof, ook met dit overtuigende empirische bewijs. ‘Ik kreeg een keer te horen: het kan wel zo zijn, maar dat geldt dan voor Amerika… Tja, dan wordt het natuurlijk lastig. Ik heb soms het gevoel dat we eerst moeten bewijzen dat er géén marsmannetjes bestaan.’ Overigens ziet Kerkhof wel wat verschuiven. Tijdens een bijeenkomst van de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO), waarin alle METC-voorzitters vertegenwoordigd zijn, heeft hij de handreiking kunnen presenteren. Het grote probleem, zo signaleert hij, is dat METC’s zich door de wet beperkt voelen om ruimhartiger toestemming te geven voor (online) onderzoek met kwetsbare groepen. Terwijl zij wel het nut van het onderzoek inzien.

Goed onderbouwd afwijken

Eenzelfde constatering bracht de Maastrichtse onderzoekers in hun eindverslag aan ZonMw – dat met subsidie bijdroeg aan Woolderinks promotieonderzoek – tot een paar scherpe aanbevelingen. Die zijn deels gericht aan collega-wetenschappers, maar ook aan de politiek. Zo moet een METC uitzonderingen kunnen maken als onderzoekers goed onderbouwen waarom het nodig is van de wet af te wijken. Ook zou de METC zo’n casus in Den Haag moeten kunnen neerleggen om aan te tonen dat de medisch-ethische wetgeving verouderd is. Van Schayck: ‘We pleiten er zeker niet voor de wet terzijde te leggen, maar wel om er in voorkomende gevallen – en op grond van goede overwegingen – van te kunnen afwijken.’

Ruimere Europese richtlijnen

Overigens is een van de aanbevelingen – een verlaging van de leeftijdsgrens naar 16 jaar – inmiddels opgenomen in de WMO, zodat die wat leeftijden betreft gelijke pas houdt met de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO). Volgens Kerkhof gaf Edith Schippers, de vorige minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, twee jaar geleden al toe dat er nog meer beperkingen zijn die onderzoek soms niet werkbaar maken. Maar dat heeft verder niet tot andere aanpassingen geleid. Kerkhof wijst op de nieuwe Europese richtlijnen voor onderzoek, waarin nadrukkelijk staat dat het belang van kinderen uitzonderingen mogelijk kan maken. Daar loopt de Nederlandse wet dus op achter, stelt hij vast. Van Schayck is het met hem eens. Hun beider boodschap aan de politiek is klip en klaar: ‘Kom op wetgever, niet meer treuzelen!’


Auteur: Marc van Bijsterveldt
Foto:  altanaka, Shutterstock

Naar boven
Direct naar: NavigatieDirect naar: InhoudDirect naar: Onderkant website