Ga direct naar de inhoud Ga direct naar het hoofdmenu Ga direct naar het zoekveld
 
Onderzoek naar terugkeer huidkanker

‘Traditionele huidkankerfactoren spelen geen rol’

Mensen die een veelvoorkomende vorm van huidkanker hebben gekregen, hebben 30 procent kans op herhaling. Welke patiënten lopen daarop het grootste risico? Dat onderzocht projectleider en hoogleraar dermatologie Tamar Nijsten van het Erasmus Medisch Centrum. ‘We kunnen nu ruwe categorieën maken.’

Waarom hebt u dit onderzoek opgezet?

‘Het aantal huidkankergevallen in Nederland neemt jaarlijks met 4 tot 8 procent toe, afhankelijk van het type. De dermatologiepraktijken besteden nu al ruim meer dan de helft van hun tijd aan huidkanker. De aandoening brengt dus een enorme werklast met zich mee. Van alle vormen van huidkanker is 60 tot 70 procent een basaalcelcarcinoom. Uit een eerdere ZonMw-studie wisten we dat zo’n 30 procent van onze patiënten na de eerste keer opnieuw basaalcelcarcinomen ontwikkelt. Als we weten welke mensen daarop een groot risico lopen, kunnen we na de eerste behandeling een gepersonaliseerd advies geven. En bijvoorbeeld zeggen: voor u is geen follow-up nodig, of juist wel. Patiënten zijn dan beter geïnformeerd en wij leveren zinnige zorg.’

Hoe is het onderzoek aangepakt? 

‘Jaarlijks krijgen zo’n 40.000 patiënten voor het eerst een basaalcelcarcinoom, blijkt uit een van de vier Nederlandse kankerregistraties. Daarbij wordt alleen die eerste tumor geregistreerd. We wisten dus wel vrij goed hoeveel mensen een eerste basaalcelcarcinoom kregen, maar niet hoe het ze daarna verging. Om dat te kunnen onderzoeken hebben we data uit de Rotterdam Studie (een cohort-onderzoek dat sinds 1990 in Rotterdam wordt uitgevoerd, red) gelinkt aan de histopathologische uitslagen in de nationale pathologiedatabank Palga. Zo konden we zien wie meerdere keren een basaalcelcarcinoom had gekregen, en op welke plekken. Van de 15.000 mensen uit het Rotterdamse cohort heeft bijna 10 procent een basaalcelcarcinoom gehad, waarvan ongeveer een derde meerdere malen. We hebben mensen die slechts eenmaal een basaalcelcarcinoom hadden, vergeleken met mensen die meerdere keren zo’n carcinoom kregen.’

Wat hebt u ontdekt?

‘We verwachtten aanvankelijk dat bij het terugkomen van de kanker dezelfde risicofactoren een rol speelden die ook voor het eerste carcinoom opgaan. Denk aan meer blootstelling aan de zon, blauwe ogen en blond haar. Maar dat klopte niet. Eigenlijk is dat ook wel logisch. Je vergelijkt mensen met meerdere basaalcelcarcinomen met mensen die er één hebben gehad, niet met mensen die er geen hebben gehad. Dan vallen de traditionele factoren weg. Er kwamen andere factoren naar boven. Mensen die op een jonge leeftijd een basaalcelcarcinoom krijgen, hebben bijvoorbeeld een flink hoger risico er meer te krijgen, net als mensen die bij de eerste keer meteen meerdere basaalcelcarcinomen hadden. Met deze kennis hebben we een eerste predictiemodel ontwikkeld.’

‘Mensen die op een jonge leeftijd een basaalcelcarcinoom krijgen, hebben een flink hoger risico er meer te krijgen’

Is dit model al goed bruikbaar in de spreekkamer?

‘Ons model voorspelt met 72 procent zekerheid wanneer iemand vaker dan één keer huidkanker krijgt. We hadden natuurlijk liever gehad dat het een hoger percentage was geweest. Met de huidige gegevens kunnen we ruwe categorieën maken. Daarmee geven we bij het Erasmus MC de patiënten gepersonaliseerde informatie mee, waarin we hen informeren over het risico dat ze lopen om opnieuw deze vorm van huidkanker te krijgen.’

Gaat u dit model ook verspreiden over het land?

‘Om ons model aan de man te brengen zou het nog wat krachtiger moeten zijn. Daarvoor was nu de onderzoekspopulatie te klein. In dit stadium zijn we collega-dermatologen en patiënten aan het informeren en bewust aan het maken van het risico dat de huidkanker terugkomt. Het inzicht dat mensen meerdere huidkankers kunnen ontwikkelen, is al opgenomen in de Nederlandse richtlijnen. Onder dermatologen is een groeiend besef dat het voor mensen met een hoog risicoprofiel niet klaar is na een huidkankerbehandeling.’

Hebt u ook informatie gevonden over genetische factoren? 

‘De eerste studie die we hebben gepubliceerd ging over algemene risicofactoren, zoals koffie drinken, roken, gewicht, zonblootstelling, het gebruik van bepaalde medicatie. Daarna hebben we geprobeerd het model door genenonderzoek preciezer te maken. Dat kon, omdat de Rotterdam Studie ook genetische gegevens van de deelnemers bevat. Maar we hebben niks gevonden. Nu geldt voor genetica eigenlijk dat je nooit genoeg data hebt. Daarom werken we nu in internationale consortia. De eerste analyse van twee Amerikaanse groepen heeft weinig opgeleverd. Toch blijft het knagen: er moet iets zijn! We zijn nu met een nog groter consortium bezig de vraag opnieuw te analyseren.’

Hoe gaat u hier nu mee verder? 

‘Als onderzoeker en als arts wil ik graag dat het model sterker wordt en breed wordt toegepast. Het gaat om een klinisch uiterst relevant vraagstuk. En al zijn de resultaten tot dusver misschien niet zo spetterend als we hadden gehoopt, het onderzoek heeft mij als onderzoeker veel gebracht. Dankzij de VIDI-subsidie is de dermatologie nu verankerd in de Rotterdam Studie. We hebben ons netwerk sterk uitgebreid en nemen nu deel in internationale huidkankerconsortia. Onze methodologie heeft een vernieuwingsimpuls gekregen. Door deze ontwikkelingen kunnen we de personalised medicine voor mensen met huidkanker op termijn ongetwijfeld verder verfijnen.’

Auteur: Veronique Huijbregts
Foto:
 Levien Willemse