Ga direct naar de inhoud Ga direct naar het hoofdmenu Ga direct naar het zoekveld
 

Onderzoeker, identificeer u!

Onlangs zijn we gestart met een participatief-etnografisch onderzoek naar sociale veerkracht en gezondheid in een naoorlogse Maastrichtse wijk met betrekkelijk weinig sociale cohesie en participatieactiviteiten. Het is fijn dat ZonMw dit soort complex onderzoek financiert, want succes is hier niet verzekerd. Interventies werken altijd het beste waar de condities zijn toegesneden op de interventies die men onderzoekt. Onderzoek-in-het-wild lijkt vragen om moeilijkheden, de condities zijn verre van gecontroleerd en magic bullets ontbreken. Veerkrachtige wijken maken, is zoiets als je zelf uit de haren uit het moeras trekken.

Valse start

In de literatuur over gezondheidsachterstanden wordt vaak gesproken over een probleem van ‘bereik’: er zijn adequate interventies maar de doelgroepen worden niet bereikt. Op basis van eerder onderzoek heb ik met collega’s betoogd dat de missie ‘doelgroepen bereiken’ tot een valse start leidt bij onderzoek met achterstandswijken. Deze formulering vooronderstelt een kloof, die gedicht moet worden door de wijk geschikt te maken voor beschikbare interventies. We hebben andere uitgangspunten geformuleerd als een alternatief voor de notie ‘doelgroepen bereiken’.

Ons, niet hen

De belangrijkste luidt: het gaat over ‘ons’ en niet over ‘hen’. Wat betekent het als onderzoekers, gezondheidsbevorderaars of participatiedeskundigen van de burger vragen zich te identificeren met hún doelen en interventies? Zij gaan dan niet uit van wat hen als onderzoekers verbindt met een wijk, maar van verschil. Als zij geleid worden door onderhuidse onderscheidingsdrift – superioriteitsgevoelens als het gaat om vitaliteit, smaak, politieke voorkeur et cetera – is het moeilijk goed werk te leveren. Sentimenten van verschil en gebrekkige identificatie leiden ook tot gemakzuchtige aannames. Toen wij een burgertop organiseerden in de wijk zei iemand: ‘Waarom denkt iedereen dat we alleen maar bingo willen spelen?’

Zoeken wat verbindt is de basis voor contact en uitwisseling

De socioloog Abram de Swaan schreef ooit een prachtig essay over de omgang met dakloze bedelaars, waarin hij de vraag opwierp hoe lang zijn vriendenkring onderdak zou bieden als hij op de een of andere manier in problemen zou komen en geen huis meer zou hebben. Hij maakte een bescheiden inschatting: ook hij – gevestigd en met een goed sociaal leven – zou in een situatie van dakloosheid kunnen geraken. Hij ging op zoek naar wat hem verbond met de dakloze, namelijk afhankelijkheid en kwetsbaarheid, en dat besef was basis voor de tijd die hij nam voor het gesprek met een dakloze mevrouw en een gift aan haar. Zijn steun kwam voort uit besef van gelijkheid in plaats van besef van verschil.

Taal ontwikkelen

In dezelfde geest betoogt de Ghanees/Amerikaanse filosoof Kwame Anthony Appiah in zijn prachtige boekje Cosmopolitanism. Ethics in a world of strangers (2006) dat omgang met vreemde anderen vraagt om zoeken, herinneren en articuleren van wat verbindt, omdat dat de basis is voor contact en uitwisseling. De lessen van sociologen en filosofen zoals De Swaan en Appiah hebben niet alleen betrekking op de vreemdheid die je kunt ervaren als je in een totaal ander land bent. Ze zijn ook vruchtbaar bij de vormgeving van gemeenschappen, wijken en buurten in onze eigen stad. Ze bieden ons de mogelijkheid om het ‘paradigma van bereik’ achter ons te laten en een taal te ontwikkelen die recht doet aan de ideeën en sentimenten van alle betrokkenen. 

Klasien Horstman is lid van de ZonMw-commissie Bevorderen Verantwoordelijke Onderzoekspraktijken en hoogleraar filosofie van de publieke gezondheidszorg aan de Universiteit Maastricht.