Ga direct naar de inhoud Ga direct naar het hoofdmenu Ga direct naar het zoekveld
 
Jos Prickaerts test oud middel voor nieuwe toepassing

‘Mijn doel is een medicijn vinden tegen Alzheimer’

Een middel tegen chronische longaandoeningen doet mensen beter scoren op geheugentesten. Ook ouderen met beginnende geheugenproblemen, ontdekte neurobioloog Jos Prickaerts. Als medicijn tegen dementie kan het hopelijk over vijf jaar beschikbaar zijn.

‘Je moet een middel maken dat beter is dan de werking van twee kopjes koffie.’ Zo luidt de grap binnen farmaceutische bedrijven, weet neurobioloog Jos Prickaerts. Wil je je concentratievermogen, aandacht en geheugen een oppepper geven, dan helpt een bakkie heel aardig. ‘De vier geheugenmiddelen die nu op de markt zijn, werken minder dan koffie en ook maar heel even. Eigenlijk is er nu niks dat patiënten met de ziekte van Alzheimer kan helpen.’ Prickaerts, voorheen onderzoeker bij twee farmaceutische bedrijven, is blij met zijn herwonnen academische vrijheid aan de Universiteit Maastricht. Hij speurt er naar stoffen die de afbraak van hersencellen verminderen en de communicatie tussen deze cellen verbeteren. ‘Mijn doel is een middel te vinden tegen de ziekte van Alzheimer.’

En nu heeft u een veelbelovende stof gevonden. Die behoort tot de zogenoemde fosfodiesterase-type-4-remmers. Hoe kwam u deze stof op het spoor?

‘Stoffen van deze soort zijn zo’n twintig tot dertig jaar bekend. Er is veel basaal onderzoek naar gedaan, door mij en door anderen. Uit testen met dieren bleken die er slimmer van te worden. Een farmaceutisch bedrijf had hetzelfde bij mensen aangetoond. Maar een stof tot geneesmiddel ontwikkelen, betekent een kostbare en lange weg. Je moet langdurig duur onderzoek doen bij mensen, om de veiligheid, de optimale dosis en uiteindelijk de effectiviteit te onderzoeken (zie kader, red.). Dan pas kun je toelating van een middel aanvragen. Om die weg te verkorten ben ik in de medische literatuur gaan zoeken naar pillen die fosfodiesterase-type-4-remmers bevatten. Tot mijn verbazing vond ik er een die als ontstekingsremmer wordt voorgeschreven aan mensen met COPD. Ik ben dierproeven gaan doen, waaruit bleek dat de stof het geheugen inderdaad verbeterde.’

Wat heeft u met die vondst gedaan?

‘De stof was veilig, wisten we al, en zodoende konden we direct een proof-of-concept-studie doen bij een kleine groep proefpersonen om de effecten te bestuderen. We hebben geheugentesten gebruikt die in de kliniek gelden als gouden standaard om te voorspellen of iemand Alzheimer krijgt. Je biedt mensen reeksen met woorden aan en vraagt met tussenpozen hoeveel ze er nog weten of herkennen. Dit deden we eerst bij studenten. Na inname van het middel, zo bleek, onthielden zij meer woorden. Daarna hebben we een groepje gezonde ouderen van zestig tot tachtig jaar getest: ook hun geheugen verbeterde na inname van het medicijn. En ten slotte werkte het tot onze verrassing aanzienlijk bij hun leeftijdsgenoten met amnestic mild cognitive impairment (amnestic MCI), een voorstadium van de ziekte van Alzheimer. Na inname van het middel onthielden zij gemiddeld ruim een woord meer. Op een gemiddelde van vier uit een reeks van dertig woorden, waar ze zonder middel op scoorden, is dat een toename van ruim vijfentwintig procent.’

Wat kan de betekenis zijn van dit onderzoek voor ouderen met geheugenproblemen? 

‘De stof kan de ziekte van Alzheimer niet genezen: het verandert niets aan het eiwit - amyloïde ß - dat neerslaat in het brein en waardoor hersencellen afbreken. Ik denk wél dat het middel de ontwikkeling van de ziekte van Alzheimer kan vertragen bij mensen met amnestic MCI. Na toediening van een enkele dosis konden ze direct één woord meer onthouden. We weten dat Alzheimerpatiënten op dezelfde tests elke drie jaar één woord minder onthouden. Het middel zou de gevolgen van de ziekte dan met drie jaar kunnen uitstellen. En wie weet langer: bij dagelijks innemen beschermt het mogelijk tegen de afbraak van hersencellen. Dat moeten we verder onderzoeken. Net als de vraag of het helpt bij andere vormen van dementie of hersenschade.’

Hoe ziet het vervolg er idealiter uit?

‘Ik moet een stichting of een bedrijf vinden dat een late fase-2- of vroege fase-3-studie financiert: een multicenterstudie met zo’n 100 tot 150 MCI-patiënten die het middel krijgen en die we minimaal een half jaar volgen. Uiteindelijk moet een farmaceutisch bedrijf bereid zijn te investeren in een late fase-3-studie, een grote internationaal uitgevoerde gerandomiseerde klinische trial. Ik weet dat ze liever niet met een academische partner werken. En ze hebben hun eigen stoffen. De producent van het COPD-middel vindt het risico groot: het patent daarop loopt volgend jaar af. Men vreest dat dokters het dan voor een prikkie  off-label (voor een andere aandoening dan waarvoor het medicijn is geregistreerd, red.) gaan voorschrijven aan mensen met geheugenproblemen. Ook al heb ik voor deze nieuwe toepassing een patent verworven en is dat verboden. Ik ben met hen in gesprek. De belangen zijn groot. Als alles meezit kan het over vijf jaar op de markt zijn.’

Wat betekende de subsidie die u kreeg van ZonMw?

‘Heel veel. Proof-of-concept-studies zijn duur. ZonMw financiert ze gewoonlijk niet. Het Programma Translationeel Onderzoek financierde onderzoek om stofjes die al op de markt zijn voor iets anders te testen. De resultaten en het patent daarop gaan mij zeker helpen bij mijn zoektocht naar financiering voor vervolgstudies.’

Tekst:Angela Rijnen
Foto: Arjen Schmitz