Ga direct naar de inhoud Ga direct naar het hoofdmenu Ga direct naar het zoekveld
 
Suzanne Cannegieter onderzoekt het risico op trombose

‘Antistolling bij onderbeengips hoeft niet altijd’

Een kijkoperatie van de knie of gips voor een gebroken been verhoogt bij sommige mensen de kans op trombose. Maar het heeft geen zin om elke patiënt preventief antistollingsmiddelen te geven, zegt hoogleraar klinische epidemiologie Suzanne Cannegieter. Ze ontwikkelde met haar collega’s een model om het risico te voorspellen.  

Een kleine ingreep, zo leek het. Een jonge vrouw die een sportblessure had opgelopen, kreeg een kijkoperatie van de knie, waarmee haar orthopeed hoopte te ontdekken wat het probleem was. Maar enkele dagen later overleed de patiënt plotseling. De artsen waren totaal geschokt. ‘Een gezonde jonge vrouw die opeens overlijdt, dat komt hard aan bij een dokter,’ zegt Suzanne Cannegieter, hoogleraar klinische epidemiologie bij het LUMC. Het gesprek dat zij met de orthopeed over dit trieste overlijden had, was het begin van een serie onderzoeken naar tromboserisico’s bij mensen die zo’n kijkoperatie van de knie hebben gehad of gips kregen nadat ze hun been hadden gebroken. Het gaat om hoge aantallen. Jaarlijks krijgen tienduizenden mensen deze behandelingen.

Wat is trombose?

Cannegieter: ‘Trombose is een bloedstolsel dat meestal in de aderen in de benen ontstaat. In eerste instantie merken mensen er niet zoveel van. Tot de bloedstolsels groter worden, waardoor het been dik kan worden en pijn gaat doen. Daar kun je wel mee leven, maar het geeft veel ongemak. Als echter de stolsels in de longen terecht komen, leidt dit bij ongeveer een derde van de patiënten tot longembolie. Maar liefst 5 tot 10 procent van de mensen met trombose overlijdt. We weten dat patiënten na een kijkoperatie van de knie, heupvervanging of een gegipst been, een groter risico op trombose hebben.’

Hoe is trombose te voorkomen?

‘Voor veel situaties waarbij het tromboserisico verhoogd is, zoals na een heupvervanging, is het noodzakelijk om ter preventie antistollingsmiddelen te geven. Maar voor sommige situaties is het niet bekend of dit zinvol is, zoals bij onderbeengips of na een kijkoperatie van de knie. De richtlijn stelt dat artsen dan wel antistolling kunnen geven, maar dat het effect niet duidelijk is. Uit een eerder onderzoek dat we deden, bleek dat sommige artsen in deze gevallen hoge of langdurige doseringen geven, terwijl andere artsen deze middelen niet of beperkt voorschrijven.’

U bent dus verder gaan onderzoeken?

‘De grote vraag is: wie moet je antistolling geven, en wanneer werkt het? Om een begin te maken met een antwoord, hebben we onderzoek gedaan bij patiënten met een gegipst been om factoren te identificeren die het tromboserisico verhogen. We hebben van veertien variabelen vastgesteld dat deze een rol spelen: leeftijd, geslacht, gewicht, gebruik van de pil, genetische aanleg, bepaalde ziekten en dus het gips. Op basis daarvan hebben we een model gemaakt. Als artsen dat model invullen, met behulp van de informatie die zij van hun patiënt krijgen, rolt daar een score uit die het tromboserisico aangeeft.’ 

Hoe heeft u dat onderzoek aangepakt?

‘We konden beschikken over een groot cohort van vijfduizend patiënten met data over hun situatie voordat ze trombose kregen. Daarnaast hadden we een controlegroep met vijfduizend mensen zonder trombose. Door die te vergelijken, konden we het predictiemodel maken. De meerderheid van de patiënten scoort laag op de veertien factoren en loopt geen groot risico op trombose. Maar er is een minderheid met een hoog risico.’

Wat was de volgende stap?

‘In het onderzoek dat door ZonMw is gefinancierd hebben we, in samenwerking met ziekenhuizen in de regio, gekeken of antistollingsmiddelen effect hebben. Daaruit blijkt dat als je alle patiënten bij een kijkoperatie van de knie of onderbeengips antistollingsmiddelen geeft, geen afname van trombose optreedt voor de totale groep. We hebben hierover zojuist gepubliceerd in The New England Journal of Medicine.’

Wat betekent deze uitkomst?

‘De mensen die geen risico lopen, hoef je geen antistolling toe te dienen, want ze hebben vrijwel geen kans trombose te krijgen en het middel heeft dus ook geen effect. Dat is een enorme winst. Om te beginnen is het een belastende behandeling, want antistollingsmiddel wordt via injecties toegediend. Bovendien zijn er bijwerkingen zoals blauwe plekken en soms ook grotere bloedingen. Het middel is ook niet goedkoop. Dus als je stopt met het geven van antistolling aan mensen die geen tromboserisico hebben, kan dat een besparing van miljoenen euro’s opleveren.’

Wat te doen bij mensen met een hoog tromboserisico?

‘Het positieve nieuws is dat we deze patiënten met het model kunnen identificeren, maar we weten nog niet exact hoe we ze moeten behandelen.’

Wat is uw boodschap voor artsen?

‘Artsen hoeven in ieder geval niet meer routinematig iedereen met antistolling te behandelen die onderbeengips krijgt of een kijkoperatie van de knie moet ondergaan. Vooralsnog is het aan te raden wel antistolling te geven aan patiënten bij wie het tromboserisico verhoogd lijkt te zijn. We hopen snel met een antwoord te komen op de vraag hoe deze groep optimaal behandeld kan worden. Momenteel zijn we op zoek naar financiering om daar verder onderzoek naar te kunnen doen.’ 

Tekst: Tjitske Lingsma
Foto: Marc de Haan