Ga direct naar de inhoud Ga direct naar het hoofdmenu Ga direct naar het zoekveld
 
Duobezoeken wijkverpleging smaken naar meer

‘Je krijgt een enorme boost van nieuwe kennis’

Duo’s van docenten en wijkverpleegkundigen legden samen bezoeken af in het kader van leernetwerken. Dat was verrijkend en inspirerend. ‘De cliënt achter de theorie gaat weer leven.’

Om de competenties van hbo-v-docenten, beginnende en ervaren wijkverpleegkundigen beter af te stemmen op de veranderende praktijk, werden eind 2015 Leernetwerken wijkverpleging in het leven geroepen. Inmiddels is de eerste fase van deze samenwerkingsverbanden van hbo-v-opleidingen en thuiszorgorganisaties afgerond. Zelfredzaamheid en zelfmanagement van cliënten staan hoog op de agenda, maar ook de aanpak van de personeelstekorten in de wijkverpleging – onlangs aangekaart door staatssecretaris Van Rijn – is een belangrijk doel. 

De Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN) en de Hogeschool Rotterdam stelden duo’s samen. Zij bezochten samen cliënten, reflecteerden tijdens bijeenkomsten op hun ervaringen en de wijkverpleegkundigen gaven les op de HAN. Jacqueline Theunissen, docent hbo-v aan de HAN en projectleider van het Nijmeegs Leerlandschap Wijkverpleegkundige nieuwe Stijl, en Merita van Mook, zelfstandig hbo-wijkverpleegkundige voor TVN Zorgt, namen dit jaar deel aan twee verschillende duo’s.

Wat is er zo goed aan het principe van duobezoeken?

Theunissen: ‘We gaan echt naar buiten! Daarbij was “gezamenlijke deskundigheidsbevordering” de insteek: de zittende docent heeft behoefte aan kennis van het veld, terwijl de wijkverpleegkundige behoefte heeft aan bijscholing. Jonge studenten weten alles van zelfredzaamheid en zelfmanagement, maar wijkverpleegkundigen die jaren in het vak zitten, niet. Door deze uitwisseling gaat de theorie voor hen weer helemaal leven.

portretfoto

Als docent zie ik juist weer de cliënt achter de theorie. En ik merk hoe weerbarstig de praktijk kan zijn. Toen we in een team bespraken hoe een cliënt meer aan zelfredzaamheid en -management kon doen, bleek iedereen daar verschillend naar te kijken. Het is dus niet zo simpel. De kunst is om te onderzoeken wat de cliënt wil, niet wat er volgens jou moet gebeuren. Soms zegt een cliënt: “Ik wil niet dat de verpleging wordt afgebouwd, en ik heb er recht op.” Dan heb je dus een dilemma. De goede voorbeelden voor de studenten uit de praktijk bestaan nog niet. We moeten het al doende uitvinden.’

Wat leverden de duobezoeken op voor de wijkzorg?

Van Mook: ‘Mijn duomaatje zag tijdens een teamoverleg hoe het gesprek “ontplofte”, doordat iedereen zijn ei kwijt moest. Zij droeg vervolgens een gestructureerde methode aan voor casusbesprekingen. Verder inspireerde ze me tot het opzetten van een project over positieve gezondheid, en stuurde me meteen ook voorbeelden van projectplannen. Dat soort dingen scheelt tijd. We weten precies van elkaar waarmee we bezig zijn. Een ander thema dat ze aandroeg, was leiderschap voor verpleegkundigen. We zijn nu als wijkverpleegkundigen bezig om ons binnen de thuiszorgorganisatie te organiseren, zodat we als gesprekspartner serieuzer genomen worden. Nu we van het ene op het andere moment zorg moeten gaan indiceren, is dat extra belangrijk.’

Waren er nog onverwachte opbrengsten?

Van Mook: ‘Al die nieuwe kennis geeft een enorme boost. Maar daarnaast was ik blij verrast door de onderlinge uitwisseling met mijn mede-hbo-v-verpleegkundigen. Er zijn, ook vanwege tekorten, weinig collega’s om mee te sparren. We hebben in ons leernetwerk drie zeer verschillende organisaties: Buurtzorg, ZZG Zorggroep en TVN Zorgt. Het was leuk om bij elkaar in de keuken te kijken.’

 ‘We willen laten zien hoe spannend en verantwoordelijk het werk kan zijn’

Hoe verwerkt u de opbrengsten in het onderwijs?

Theunissen: ‘Aan de hand van praktijkvoorbeelden destilleren we thema’s om mee aan de slag te gaan. Zo komen we in de wijkverpleging steeds vaker psychische problemen tegen. Dan stuit je op vragen als: hoe ga je om met ingewikkeld gedrag, hoe kun je toch het zorgplan uitvoeren en wanneer verwijs je door? Daar hebben we een themamiddag aan gewijd. Ook hebben studenten uitgezocht welke competenties in zulke gevallen nodig zijn. Daarnaast organiseren we regelmatig kennismarkten voor studenten, docenten en wijkverpleging, die goed bezocht worden. De docenten gebruiken inmiddels het OMAHA-classificatiesysteem (een systeem om gegevens te verzamelen en een verpleegkundige diagnose te stellen, red.) dat het meest in de praktijk gebruikt wordt. Verder gaan we een minor ontwikkelen over positieve gezondheid en multidisciplinair werken, omdat we merken dat multidisciplinair werken meer aandacht nodig heeft.’

Hoe helpen de leernetwerken bij het streven om meer wijkverpleegkundigen te krijgen?

Theunissen: ‘We hebben twee “jonge” duo’s die zich daarop richten. Het is vooral belangrijk om goede rolmodellen te hebben. Dat begint al in de opleiding. Als een wijkverpleegkundige hbo-v een stagiair goed kan vertellen over de laatste ontwikkelingen en laat zien wat die in de praktijk betekenen, werkt dat goed. Laat bijvoorbeeld zien hoe psychiatrische aandoeningen worden opgepakt en onderzocht, dat we niet zomaar wat doen. Studenten denken vaak dat de zorg in de wijk laag-complex is. Soms is de handeling eenvoudig, maar is de context wél complex. Als je duidelijk maakt dat er overstijgende taken zijn, zoals meedraaien in een wijkteam en het contact met huisartsen, laat je zien hoe spannend en verantwoordelijk het werk kan zijn.’

Smaakt het werken met duo’s naar meer?

Theunissen: ‘We willen dit graag voortzetten. Om te beginnen gaan we werken in kwartetten, met een mbo-v-docent en mbo-verpleegkundige erbij. Dat is een logische stap, want in de meeste teams werken meer mbo- dan hbo-verpleegkundigen. Daarnaast is het mijn droom om op de HAN ook duo’s in het leven te roepen voor andere werkvelden binnen de verpleegkundige studies, zoals ziekenhuiszorg en psychiatrie.’

Van Mook: ‘Tot nu toe kwamen mbo-verpleegkundigen weinig aan bod wat betreft bijscholing in de transitie. Als dat wel gebeurt, kan iedereen in een team meer aandacht besteden aan bijvoorbeeld het opbouwen van netwerken in een wijk en het samenwerken met mantelzorgers.’

Tekst: Annette Wiesman
Foto: Jonathan Vos