Ga direct naar de inhoud Ga direct naar het hoofdmenu Ga direct naar het zoekveld
 
Factsheet biedt houvast bij keuze uit opvoedprogramma’s

Triple P, ja of nee?

Veel gemeenten gebruiken het programma Triple P voor opvoedingsondersteuning. Maar de effectiviteit ervan was nog onderwerp van discussie. Een inventarisatie van al het Nederlandse onderzoek brengt helderheid: volgens vrijwel alle studies werkt Triple P even goed als reguliere zorg. De kosteneffectiviteit is nog onbekend.

Triple P is een van oorsprong Australisch programma. Het is opgebouwd uit opvoedingsadviezen en -interventies op vijf niveaus: van preventief op bevolkingsniveau (niveau 1) tot intensieve gezinsbegeleiding (niveau 5). Het kent ook varianten voor specifieke doelgroepen, zoals ouders van kinderen met eetproblemen, kinderen met een beperking en tieners. Alleen beroepskrachten die door gecertificeerde trainers zijn getraind, mogen Triple P uitvoeren.

Eenduidige aanpak

Ireen de Graaf was bij het Trimbos-instituut betrokken bij de introductie van Triple P in Nederland in 2006. ‘Het programma sloeg direct aan’, vertelt ze. ‘Blijkbaar voorzag Triple P in een grote behoefte, los van de effectiviteit, die met internationaal onderzoek vaak was onderbouwd. Vermoedelijk omarmden de professionals het programma omdat het zo sterk gestructureerd is. Daarvóór werkten ze eclectisch. Triple P is inhoudelijk niet zo nieuw, maar het programma zet alles helder op een rij. De trainingen zijn goed, de inhoud is stevig onderbouwd, en het biedt een doorgaande lijn in de gradaties van opvoedingsvraagstukken. Dat levert een eenduidige aanpak op.’ 

Uitgebreid onderzocht

Het succes van Triple P is zo groot dat inmiddels meer dan de helft van de gemeenten in ons land ermee werkt. Tegelijkertijd is er nogal wat onduidelijkheid over de effectiviteit van het programma op de verschillende uitvoeringsniveaus. De effectiviteit is in Nederland uitgebreid onderzocht, vooral op niveau 3 (kortdurend individueel advies of groepstraining) en 4 (gerichte training in opvoedvaardigheden voor ouders van kinderen met ernstige gedragsproblemen) en voor specifieke doelgroepen. Zo ging de eerste randomised controlled trial (rct) over toepassing bij te vroeg geboren kinderen, een studie van onder anderen Renske Schappin, onderzoeker pediatrische psychologie bij het Wilhelmina Kinderziekenhuis.

Niet eenduidig

De gevonden effectiviteit in de Nederlandse onderzoeken is lager dan in het internationale onderzoek. Triple P blijkt hier nooit effectiever dan de gangbare bestaande zorg, aldus Schappin en De Graaf. De kosteneffectiviteit is nog niet onderzocht. En de Nederlandse onderzoeksresultaten zijn ook niet allemaal even eenduidig. Alles bij elkaar was er veel discussie over de resultaten en de interpretatie daarvan, vertelt De Graaf. 

Zoeken naar één lijn

Voor ZonMw was deze situatie aanleiding om betrokken onderzoekers te vragen de bestaande kennis te inventariseren en op één lijn te komen. Die consensus is er nu, in de vorm van de factsheet De Effectiviteit van Triple P die in november 2015 is verschenen. De inhoud is tot stand gekomen in intensieve discussies van medewerkers van het Trimbos-instituut, het UMCG, de Universiteit Maastricht, het UMC Utrecht, het Verwey-Jonker Instituut, Hogeschool Inholland en het Nederlands Jeugdinstituut. Bij dat laatste instituut was Triple P Nederland tot voor kort ondergebracht.

‘Er was veel ruis omheen en nu staat alles op een rij’

Alle partijen hadden gezamenlijk besloten tot de beste aanpak van de inventarisatie en de opzet van de factsheet. De Graaf en Schappin leidden de discussies en stelden de uiteindelijke tekst op. Alles bij elkaar was het, in de woorden van Schappin, ‘een heel proces’. De discussies gingen over vragen als: welke onderzoeken gebruik je: alleen gerandomiseerde studies met een controlegroep, of ook kwalitatief onderzoek? Bespreek je de onderzoeken per niveau? Welke bewijskracht ken je ze toe? En welk deel van de effecten, alleen de primaire of ook andere, neem je op in je beschrijving?  

Hoofduitkomsten

De stevigste discussies waren die tussen de onderzoekers en de mensen die Triple P implementeren. ‘Je kunt studies op veel manieren schrijven’, licht Schappin toe. ‘Wij probeerden neutraal te zijn en wilden de beschrijvingen sec houden, met alleen de hoofduitkomsten en zonder de mitsen en maren. De uitvoerders vroegen vaker aandacht voor positieve neveneffecten.’

De Graaf geeft een voorbeeld: ‘Uit onderzoek naar de interventie voor overgewicht bleek dat de Body Mass Index van de kinderen niet afnam. Dat was een primaire uitkomstmaat. Maar de kinderen bleken wel minder frisdrank te drinken en meer buiten te spelen. Dat hebben we wel in de factsheet opgenomen, maar je kunt onmogelijk élk gevonden effect behandelen in zo’n beknopte tekst.’

Steuntje in de rug

De Graaf verwacht niet dat alle discussies over Triple P nu tot het verleden behoren. Dat komt onder meer doordat de ontwikkeling van Triple P voor specifieke doelgroepen nog steeds doorgaat. Maar, zegt ze, ‘de factsheet laat de effectiviteit van Triple P zien voor nieuwe gemeenten die voor de keus staan. Er was veel ruis omheen en nu staat alles op een rij. We hebben geprobeerd het wetenschappelijke deel inzichtelijk te maken voor mensen die zelf geen wetenschapper zijn. Het document is een steuntje in de rug bij de keuze die ambtenaren gaan maken.’ 

Goede oefening

Schappin: ‘Voor ons als onderzoekers is het ook een goede oefening geweest. Toen we begonnen meenden we dat er nog allerlei onderzoek nodig was naar Triple P. Nu we alles op een rij hebben gezet, beseffen we dat vooral kosteneffectiviteits-onderzoek nodig is. Qua effectiviteit wijzen alle uitkomsten in dezelfde richting. Het is de vraag wat een extra rct dan nog toevoegt.’ 

Tekst: Veronique Huijbregts
Foto: Arenda Oomen