Ga direct naar de inhoud Ga direct naar het hoofdmenu Ga direct naar het zoekveld
 
‘Signalering in de palliatieve fase’ heeft hordes te nemen

Mooie methode, uitdagende invoering

In 2011 verscheen een nieuwe methode waarmee verzorgenden betere palliatieve zorg kunnen verlenen. Verzorgenden werken graag met deze ‘Signalering in de palliatieve fase’, maar de invoering verloopt niet zonder slag of stoot. Het ontbreekt vaak nog aan tijd, training en bestuurlijk commitment.

Biljarten? De verzorgenden van een doodzieke man, die niet lang meer te leven had, dachten dat hun cliënt pijnbestrijding het allerbelangrijkste vond. Maar toen ze het hem vroegen, bleek hij een heel andere wens te hebben. Hij wilde nog één keer biljarten. Anna Kempe, netwerkcoördinator palliatieve zorg regio Zutphen, haalt het voorbeeld aan omdat het zo veelzeggend is. Verzorgenden zijn gewend meteen te handelen om goede professionele zorg te bieden. Maar palliatieve zorg is ook gericht op de kwaliteit van leven van de patiënt die niet meer beter kan worden. Daarvoor moeten verzorgenden vragen stellen om te achterhalen wat iemands klachten, problemen en wensen zijn. Vele verzorgenden beschikken daarvoor echter niet over voldoende vaardigheden en hebben bijscholing nodig.

Vijfduizend aanvragen

Voor dat doel heeft het Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL) de methodiek ‘Signalering in de palliatieve fase’ ontwikkeld. Verzorgenden kunnen daarmee via een vijfstappenplan de problemen van zorgvragers in kaart brengen. In 2011 verscheen de eerste versie, die in 2014 met een Parel werd onderscheiden door ZonMw. ‘Signalering in de palliatieve fase is bestemd voor verzorgenden, geschreven in hun taal en sluit aan bij hun taken en expertise’, vertelt Marjolein Verkammen, adviseur bij IKNL. Zij is samen met professionals betrokken bij de implementatie, waarvoor ZonMw ook subsidie verleende. Inmiddels hebben zorgverleners en instellingen zo’n vijfduizend exemplaren van de methode aangevraagd.

Bewustwording en kennis

‘Het ontbrak diverse organisaties aan bewustwording en kennis over palliatieve zorg, maar men wilde er graag wat aan doen’, zegt Anna Kempe, die als coördinator de invoering van de methode bij de acht instellingen in haar regio heeft begeleid. Hiertoe werden binnen de organisaties kartrekkers met een train-de-trainer-programma opgeleid tot trainers om collega’s bijscholing te geven. Het viel Kempe op dat het zelfs bij enkele kartrekkers aan inzicht en kennis schortte. ‘Er was een kartrekker die stelde dat haar instelling geen palliatieve cliënten had. We hebben het in eerste instantie zo gelaten, om er later op terug te komen. Toen bleek een groot deel van de cliënten in haar instelling palliatieve zorg nodig te hebben.’

Meerwaarde

Om erachter te komen hoe de invoering van de methode is verlopen, hebben vier netwerken palliatieve zorg (Zutphen, Gooi en Vechtstreek, Salland en Zaanstreek-Waterland) samen met IKNL een onderzoek gedaan. ‘Alle vier de netwerken hebben de methode ‘Signalering in de palliatieve fase’ geïmplementeerd. De ene instelling is er wat fanatieker in geweest dan de ander’, constateert Verkammen. Uit het onderzoek blijkt dat 40 à 50 procent van de respondenten,  bestaande uit projectleiders en betrokken zorgmedewerkers, de meerwaarde van de methode ziet. ‘Verzorgenden vinden het prettig dat ze op een gestructureerde manier vragen aan een cliënt kunnen stellen. Ze nemen meer tijd voor een gesprek, laten cliënten zelf meer aan het woord en vullen minder voor hen in. Ze sluiten beter aan bij de behoefte van de cliënt. Het contact is veranderd. Zorgvragers voelen zich gehoord want hun probleem wordt dieper aangepakt. Het mooie van de methode is dat je mensen in hun waarde laat en betere zorg kunt geven’, vertelt Verkammen. 

Kartrekkers voelden zich alleen staan

Zo was er een mevrouw die moeite had met douchen. Toen verzorgers ernaar vroegen, bleek dat zij op diezelfde dag ook al andere hulp kreeg. Op een rustiger tijdstip kwam het douchen haar beter uit. ‘Wel vergt de andere manier van kijken in het begin veel tijd. Maar het gaat uiteindelijk sneller. Je maakt je de stappen eigen en hoeft niet telkens te zoeken hoe je verder moet’, stelt Verkammen.

In beweging krijgen

Ondanks die meerwaarde blijft de implementatie van de methode achter bij de verwachtingen. Maar liefst 75 procent van de respondenten geeft aan dat de Signalering geen onderdeel is van de eigen werkwijze, zo blijkt uit de evaluatie die Verkammen, Kemme en drie andere auteurs schreven. Zij voeren diverse oorzaken aan. De periode van een jaar die was uitgetrokken voor de invoering – gelijk aan de looptijd van de subsidie – bleek achteraf te krap. ‘In die periode ben je vooral bezig de organisatie in beweging te krijgen. Het is moeilijk de methode in zo’n korte tijd te verankeren’, zegt Kempe. Bovendien zetten bestuurders en managers zich er te weinig voor in. Kartrekkers voelden zich alleen staan. Kempe zag hoe na een jaar een dip ontstond. ‘Sommige medewerkers waren moedeloos geworden over hoe moeizaam enkele organisaties met de implementatie omgingen.’

Selectie kartrekkers

Ook de selectie van de kartrekkers behoeft meer aandacht. Deze functie vraagt specifieke vaardigheden en deskundigheid. ‘Je moet affiniteit hebben met lesgeven, planmatig kunnen werken en een teamplayer zijn’, aldus Verkammen. Ze stelt dat managers meer tijd en geld moeten uittrekken om medewerkers te trainen en de methode te borgen. Bovendien vond de implementatie plaats te midden van grote transities in de zorg. Daardoor waren er plots managers verdwenen en ontstonden nieuwe zorgorganisaties waarmee moest worden samengewerkt. 

Beter verankeren

De betrokkenen zoeken momenteel naar financiële middelen om de Signaleringsmethode beter in de organisaties te kunnen verankeren. Kempe hoopt dat de methode ook onderdeel wordt van opleidingen op ROC’s. Intussen is het IKNL bezig de Signalering aan te passen zodat deze ook bruikbaar wordt bij cliënten met dementie. 

Tekst: Tjitske Lingsma
Foto: Sabine Joosten, Hollandse Hoogte