Ga direct naar de inhoud Ga direct naar het hoofdmenu Ga direct naar het zoekveld
 
Radboud Engbersen over professionalisering sociale sector

Op naar evidence based sociaal werk

‘Zelfredzaamheid’ en ‘zelfzorg’ zijn de gekoesterde wensdromen voor de participatiesamenleving. Dat vraagt om sociale professionals die de burger helpen zelf problemen op te lossen, stelt Radboud Engbersen. Maar dan wel graag op wetenschappelijk onderbouwde wijze.

Is ‘burgerkracht’ alleen een zaak van de burgers zelf? En is professionele ondersteuning dus ongewenste bemoeienis, zoals vaak wordt beweerd? Radboud Engbersen van Platform31, kennisinstituut voor stedelijke ontwikkeling, vindt dat de discussie over participatie te ideologisch wordt gevoerd. Hij pleit voor een wetenschappelijker benadering. De rol van de sociale professionals is volgens hem allerminst uitgespeeld, maar dan moeten we hun werk wél wetenschappelijk gaan onderbouwen. Zoals gezondheidsprofessionals streven naar bewezen effectieve interventies. Werk aan de winkel, vindt Engbersen, want ‘de universiteiten laten zich nog veel te weinig zien in het sociale domein.’

Methodische traditie

In een essay in het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken pleitte Engbersen, samen met Peter Rensen van Movisie, onlangs voor een herwaardering van de ‘methodische traditie’ in het sociale werk. Tegenover het ideologisch geïnspireerde pleidooi voor wat zij een ‘doe-het-zelf-samenleving’ noemen, brengen de auteurs een oud pedagogisch adagium van Maria Montessori in stelling: ‘Help mij het zelf te doen’. Professionele hulp en steun zijn er volgens Engbersen en Rensen idealiter op gericht het eigen probleemoplossend vermogen van mensen te versterken. Daar zit de meerwaarde van professioneel helpen.

Anti-wetenschappelijke houding

Engbersen: ‘Wat ons betreft zouden beleid en wetenschap meer moeten doen aan de professionalisering in het sociale domein. Maar onze kritiek geldt ook de professionele organisaties. We zeggen niet dat zij hun werk niet goed doen. Maar we signaleren wel te vaak een anti-wetenschappelijke houding in het veld. Onder het mom “we zijn in de eerste plaats dóéners”, veronachtzamen te veel professionals het belang van het methodisch werken.’ Een dienstbare, terughoudende opstelling vanuit het principe ‘help mij het zelf te doen’ vraagt om intelligente, niet-paternalistische ondersteuning, vindt Engbersen. En daarvoor moet de helpende professional beschikken over een goed onderbouwd instrumentarium van methoden en interventies. ‘Om dat te ontwikkelen zijn beleid, wetenschap én professionele organisaties aan zet.’ 

‘De sociale werkelijkheid is geen lab waar je een medicijn op effectiviteit onderzoekt’

Volgens Engbersen is de anti-wetenschappelijke houding deels een erfenis van de jaren ’60 en ’70, waarin het verbeteren van de wereld vóór professionele effectiviteit ging. En het is er niet beter op geworden met het stelselmatig afbouwen van voorzieningen, dat zich sindsdien voltrekt. ‘Professionele organisaties zijn vaak vooral bezig met overleven. Ze kunnen onvoldoende ruimte en tijd organiseren voor reflectie op het professionele handelen. Laat staan om de effectiviteit en doelmatigheid van het werk systematisch te laten onderzoeken en samen met wetenschappers te werken aan het verbeteren van hun aanpak. Zoiets kost geld, en dat is er niet.’

In de frontlinie

Volgens Engbersen leidt deze situatie tot gemiste kansen, juist nu. ‘In de gezondheidswereld zie je een grote opwaardering van de rol van de eerste lijn, de huisarts voorop. Belangrijk, want je kunt zo de nadruk gaan leggen op preventie. Maar veel problemen die in de medische eerste lijn naar voren komen, zijn nauw verbonden met sociale problemen die mensen ervaren. Huisartsen zouden daarom veel intensiever moeten samenwerken met de mensen die in het sociale domein in de frontlinie opereren. Daar heb je dan wel de beste professionals nodig. Mensen die hun vak verstaan, ondersteund door serieus wetenschappelijk onderzoek en gefaciliteerd door databases met goede methodieken.’

Wetenschap én praktijk

Evidence based werken dus? Inderdaad, bevestigt Engbersen, maar dan niet in de smalle betekenis die daaraan soms gegeven wordt, namelijk de toepassing van wetenschappelijk bewezen methoden. ‘De sociale werkelijkheid waarin dit werk zich afspeelt, is heel anders dan een lab waar je een medicijn op effectiviteit onderzoekt. Sociale professionals moeten hun werk methodisch doen op grond van wetenschappelijke inzichten én praktijktheorieën die in het werk zijn ontstaan.’ Engbersen verwijst naar een bijdrage van hoogleraar Tom van Yperen op de website Sociale Vraagstukken. Volgens Van Yperen gaat het om een brede kenniscyclus waarin het delen van kennis, ervaring en inzichten centraal staan. Zo ontstaat een ‘body of knowledge’ over wat wel en niet werkt in een vakgebied. 

Niet één antwoord

En daar wil Engbersen ook naartoe met de sociale professies, zegt hij. ‘Er zijn al veel initiatieven, zoals de databank van Movisie en die van Platform31 over wat werkt in de wijk. Maar deze initiatieven zijn nog te weinig aangesloten bij het universitaire kenniscircuit. Ik zeg niet dat de wetenschap het definitieve antwoord kan geven. Eén antwoord bestaat namelijk niet. Maar je kunt wel je professionele reflectie wetenschappelijk onderbouwen, bijvoorbeeld met gedegen kwalitatief onderzoek. Wat heeft nu het verschil gemaakt wanneer je ergens aan het werk bent geweest? Als je daar systematisch naar op zoek gaat, kun je steeds beter worden in je vak. En welke professional wil dat niet? Wat mij betreft is het de hoogste tijd voor een inspirerend en praktisch onderzoeksprogramma in de sociale eerste lijn.’ 

Tekst: Marc van Bijsterveldt
Foto: Marijn van Zanten