Ga direct naar de inhoud Ga direct naar het hoofdmenu Ga direct naar het zoekveld
 
De samenwerking tussen hulpverleners van ouderen

‘Mantelzorg? Daar moeten we iets mee’

Sinds 1 januari 2015 is de gemeente verantwoordelijk voor de ondersteuning van thuiswonende ouderen. Socioloog Marianne Jacobs (VU) heeft zorgnetwerken van kwetsbare ouderen onderzocht. Hoe is de afstemming en samenwerking tussen hulpverleners?

Kunt u een beeld schetsen van de groep waarover we spreken?

‘Het zijn kwetsbare ouderen van gemiddeld 86 jaar. Ze wonen thuis, maar redden het niet meer zonder de thuiszorg of mantelzorg van bijvoorbeeld een kind, partner of buurman. Ze hebben soms drie keer per dag hulp nodig bij onder meer huishouden, administratie, persoonlijke verzorging en verpleegkundige zorg. Ze geven de kwaliteit van hun leven gemiddeld een 7 (op een schaal van 1 tot en met 10). Als er geen naasten zijn, komt er een vrijwilliger. Opvallend is dat vrijwilligers alleen daar komen waar ouderen geen mantelzorger hebben. Er is dus geen overlap. Terwijl dat in de toekomst wellicht wel wenselijk is. De mantelzorg kan immers ook overbelast raken, zeker als dat een partner is die zelf oud is.’

Waarom was u juist geïnteresseerd in de afstemming tussen verschillende hulpverleners?

‘Gezien de toename van ouderen die met een grote zorgvraag thuis wonen, krijgen mantelzorgers en vrijwilligers een steeds grotere rol, met ingang van 2015 al helemaal. Professionele zorg zal dus vaker met hen moeten samenwerken. Daarom wilden wij weten: wie komen er over de vloer en wat doen die mensen? Wij hebben 75 ouderen benaderd via 7 thuiszorgorganisaties en 3 vrijwilligersorganisaties uit Amsterdam en omstreken. We hebben ook de hulpverleners uit hun zorgnetwerk geïnterviewd. Het is een multidisciplinair onderzoek van de afdelingen sociologie, organisatiewetenschappen, en epidemiologie en biostatistiek, gefinancierd door ZonMw vanuit het Nationaal Programma Ouderenzorg.’

Is er voldoende overleg tussen thuiszorgorganisaties en mantelzorgers?

‘Thuiszorgmedewerkers hebben een goed beeld van de inwonende mantelzorger. Er is overleg en ze zijn zich bewust van mogelijke overbelasting van de mantelzorger. Anders is dat bij uitwonende mantelzorgers. Die zijn bij de thuiszorgorganisaties doorgaans helemaal niet goed in beeld, laat staan dat er gecommuniceerd wordt. Met kinderen is er nog wel zo nu en dan contact, maar met buren, kennissen of andere familie niet. Dus daar is een slag te winnen als het gaat over samenwerken. Dat is een belangrijke conclusie van ons onderzoek. Want in de toekomst zullen er ook steeds meer alleenstaande ouderen zijn met een zorgvraag.’

‘Soms ontdekte de thuiszorgmedewerker tijdens ons interview dat er een mantelzorger was’

Is er dan geen contactpersoon?

‘Op papier meestal wel. Dat is ook het protocol binnen thuiszorgorganisaties. Maar daar blijft het bij. Soms ontdekte de thuiszorgmedewerker tijdens ons interview dat er een mantelzorger was. Opvallend overigens is dat een aantal mantelzorgers aangeeft weinig behoefte te hebben aan samenwerking met professionals. Wel hebben ze behoefte aan de mogelijkheid van overleg. Ze willen de professional kunnen bereiken als dat nodig is. Daar valt voor de meeste thuiszorgorganisaties iets te verbeteren.’

Wat schrijft het beleid van thuiszorgorganisaties voor?

‘Mijn collega Marieke van Wieringen van de afdeling organisatiewetenschappen van de VU heeft beleidsstukken en visiedocumenten van thuiszorgorganisaties bekeken. Daarin staat nadrukkelijk dat mantelzorgers belangrijk zijn en worden ze omschreven als belangrijke informatiebron. Maar je ziet al afnemende aandacht voor bejegening en voor eventuele uitbreiding met nieuwe potentiële mantelzorgers. Dat maakt het lastig zodra er meer zorg nodig is. Ouderen zelf willen niet tot last zijn. ‘Nee, bel mijn dochter maar niet, die heeft het al zo druk!’ Omgekeerd zijn er ook potentiële mantelzorgers die heus zouden willen zorgen voor hun buurvrouw, maar zich niet ongevraagd willen opdringen.’

Hoe zijn de contacten tussen zorgverleners onderling?

‘Op een praktisch niveau gaan zorgcoördinatoren heel vraaggestuurd te werk. Als ze de zorg zelf niet kunnen leveren – niet alle thuiszorgorganisaties hebben alle zorg in huis –  gaan ze ervoor naar een andere organisatie, meestal een partij die ze kennen en waarmee ze goede ervaringen hebben. Op bestuurlijk niveau zijn er echter samenwerkingsverbanden met heel andere partijen. Dat hogere management klopt met twee doelen aan bij andere thuiszorgorganisaties: om goede zorg te kunnen garanderen, maar ook omdat verwacht wordt dat ze bepaalde samenwerkingsverbanden aangaan.’

Hoe zijn de contacten met vrijwilligersorganisaties?

‘Dat is ook een punt van aandacht. Er zijn zoveel mantelzorgsteunpunten en vrijwilligersorganisaties, dat zorgcoördinatoren het overzicht soms kwijt zijn. Dat verhoogt de drempel om erop af te stappen. Jammer, want ouderen hebben soms best behoefte aan iemand die eens iets leuks met hen doet.’

Is het de taak van thuiszorgorganisaties om het netwerk van de mantelzorger te begeleiden?

‘In een beleidsbrief van april 2014 van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport staat dat thuiszorgorganisaties verantwoordelijk zijn voor het verlichten van mantelzorg en het versterken van de relatie tussen mantelzorgers en professionals.
Thuiszorgorganisaties realiseren zich dat ook. Ze zeggen letterlijk: “Daar moeten we iets mee.” Tegelijkertijd is de opdracht paradoxaal. Want wie is er verantwoordelijk als het misgaat? Zelf moeten ze aan hoge kwaliteitseisen voldoen. Thuiszorgorganisaties zitten in een kanteling. Het valt nog te bezien hoe ze hun nieuwe taken invulling gaan geven.’

Tekst: Riëtte Duynstee
Foto: Victoria Burgers (VU)