Ga direct naar de inhoud Ga direct naar het hoofdmenu Ga direct naar het zoekveld
 
Hoe Talant beter leerde omgaan met Hennie

Durven loslaten, anders kijken

Agressie, automutilatie, schreeuwen en bijten. Het zijn maar een paar uitingen van ‘probleemgedrag’ bij mensen met een verstandelijke beperking. De reflex is vaak om beheersingsmaatregelen in te zetten, tot vrijheidsbeperking aan toe. Het kan ook anders, zo leerde het Verbeterprogramma Gehandicaptenzorg.

In de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking wordt probleemgedrag soms ook ‘moeilijk verstaanbaar gedrag’ genoemd. Het is eigenlijk vooral een interactieprobleem, en zo is het ook omschreven in de Richtlijnen en Principes voor de Praktijk van de Nederlands-Belgische organisatie Mental Health in Intellectual Disability (MHID). Centraal begrip daarin is de ‘ontstaansdriehoek’: probleemgedrag komt voort uit een samenspel van persoon, omgeving en interactie.

Behoefte aan handvatten

Op zich zijn de richtlijnen heel duidelijk, vindt GZ-psycholoog Titia van der Kooij. Ze werkt bij Talant, een zorgorganisatie met meer dan driehonderd locaties in Friesland. ‘Maar het boekje waarin ze staan is te theoretisch, te droog. Vooral begeleiders zijn niet zo geneigd zo’n boekje te gaan bestuderen. Zij hebben meer behoefte aan concrete handvatten.’ Die handvatten kwamen er toen orthopedagoge Barbara Pot van Esdégé-Reigersdaal de richtlijnen bondig samenvatte op één A4. Maar zelfs met zo’n handige samenvatting ben je er nog niet, vooral als je te maken hebt met serieus probleemgedrag bij een cliënt. Ook bij Talant hadden ze zo iemand in huis: de 50-jarige Hennie. Zij werd de ‘casus’ waarmee Talant aan de slag ging met ondersteuning van het Verbeterprogramma Gehandicaptenzorg.

Beheersingsmaatregelen

Hennie heeft een ernstige verstandelijke beperking en een laag sociaal-emotioneel ontwikkelingsniveau. Aanvankelijk was er met haar niet veel aan de hand, vertelt Van der Kooij. Maar nadat ze een keer een psychose had, was ze bij vlagen amper te houden. ‘Ze was vaak agressief, trok zich de haren uit het hoofd en smeet met voorwerpen. Soms moesten we haar met drie man in bedwang houden.’ De enige ‘oplossing’ leek nog te vinden in allerlei beheersingsmaatregelen, vertelt Van der Kooij. Op het laatst verbleef Hennie 23 uur per dag in een kale slaapkamer, waarin ze niets kapot kon maken en zichzelf ook niet kon verwonden. ‘In een ingewikkelde situatie heb je de neiging alleen naar het gedrag te kijken: o jee, er is probleemgedrag en dat moet stoppen! Iedereen gaat zich daar dan op richten. Maar zoiets kun je natuurlijk geen goede zorg meer noemen.’

Neerwaartse spiraal

Vaak komt een casus als die van Hennie in een neerwaartse spiraal terecht. Extreem gedrag leidt tot steeds steviger maatregelen ‘om erger te voorkomen’, maar de steeds grotere afzondering van het gewone leven leidt onvermijdelijk juist tot nóg problematischer gedrag. Die cirkel moet je willen doorbreken, zo heeft Talant ervaren.

‘We kwamen tot het inzicht dat de angst ons verlamde’

‘Een van de belangrijkste lessen die wij hebben geleerd is durven loslaten’, zegt Van der Kooij. ‘Je moet heel anders gaan kijken; naar de cliënt, naar jezelf, naar wat er gebeurt in de interactie. Voor ons kwam het heel goed uit dat we na het Verbeterprogramma ook aan de slag gingen met Triple C. Dat is een werkwijze gericht op herstel van het gewone leven: houvast geven met een zinvolle daginvulling en niet focussen op probleemgedrag. En vooral – de derde pijler – het opbouwen van een onvoorwaardelijke relatie. Je veroordeelt de persoon in kwestie niet om het probleemgedrag – en zet hem of haar dus ook niet letterlijk apart – maar benadrukt voortdurend het positieve.’

Groeiend inzicht

Binnen het Verbeterprogramma Gehandicaptenzorg zijn tientallen organisaties aan het werk geweest rond verschillende thema’s. In het leernetwerk over probleemgedrag gingen acht organisaties elk met één casus aan de slag. Een intensief proces, waarbij elke organisatie stap voor stap werkte aan het doorbreken van de vicieuze cirkel. Van der Kooij: ‘In de loop van een reeks bijeenkomsten met de andere organisaties hebben we zo de richtlijnen minutieus opgevolgd. Het inzicht groeide dat de angst dat Hennie zou terugvallen ons allemaal verlamde. We wilden krampachtig vasthouden aan wat we hadden bereikt. Maar het effect was dat ze uiteindelijk de hele dag alleen was, in een pak met een slotje erop. Mensonterend.’

Kleine stapjes

Met kleine stapjes zijn de begeleiders weer dingen gaan doen waarvan ze wisten dat Hennie ze leuk vond. Zwemmen bijvoorbeeld. Van der Kooij: ‘Daar genoot ze heel erg van en de goede ervaring versterkte het idee dat we meer konden doen. Toen zijn we huiskamermomenten gaan inplannen. Ook dat vond ze heel fijn. Uiteindelijk nam Hennie het tempo zelf over. Eerst wilde ze na tien minuten al weer terug naar haar eigen appartement. Maar op een gegeven moment wilde ze dat helemaal niet meer.’

Tekst: Marc van Bijsterveldt
Foto: Ed Regeer